BlogtopmenuOver mijtopmenuCVtopmenuContact
Blijf staan bij wat ik schrijf
Blog
RSS
Het zeil dat bemint
2009/08/15 16:09:20
17 juli 2009

‘Heb je zometeen weer een ander?’ Hij gaat zitten en zucht een vermoeide zucht die even hard ploft als zijn lichaam in de fauteuil. Met zijn vingers omklemt hij de armleuningen, laat zich dieper in de stoel zakken en ontspant dan. Hij steekt een sigaret op.
    ‘Ja’, antwoord ik. Ik trek mijn shirtje recht en doe mijn vest weer aan.
    ‘Zou je de gordijnen weer open willen doen?’
    Ze schreeuwen als ik aan ze trek en verplaatsen zich naar de hoeken waar ze in hun gebruikelijke staat van inertie blijven hangen. Buiten geeft de buurvrouw haar planten water. Ze kijkt me nieuwsgierig aan. Ik glimlach.
    Hij blaast de rook uit. Ik strijk met mijn hand over mijn haar om het te ontwilderen, al weet ik dat het niet helpen zal. Het besluit altijd na een paar minuten actie de staat van fatsoen waar ik het eerder op de dag in heb gemodelleerd te verlaten.
    'Nou, ik ben tevreden met je, hoor. Je hebt het goed gedaan, dus jij mag vaker komen.’
    Goed gedaan. Alsof mijn werk een kunstuiting is. Toch glimlach ik.
    ‘Ow, zou je die overhemden op het bed willen leggen?’
    ‘Natuurlijk.’ Ik steek de hal over naar de slaapkamer, over het zeil dat kusjes geeft aan de plastic zolen van mijn schoenen. Voordat ik het witte en het blauwe overhemd van de kastdeur pak, trek ik nog even aan drie hoeken van het dekbed zodat het er onberispelijk uitziet. Vandaag heeft het woelige tijden gekend. Dan leg ik de overhemden neer. De witte vlijt zich tegen de blauwe aan, die van achter zijn arm op de buik van de witte legt. Zo blijven ze liefjes liggen.
    Terug in de woonkamer - mijn schoenen voldaan van zoenen - pak ik mijn armband van tafel en sier er mijn pols weer mee. Tijd om naar de volgende te gaan.
    ‘Vergeet je niet in het boek te schrijven?’
    ‘Ow ja!’ Ik volg zijn wijzende vinger naar de blauwe map in het tv-meubel. Als een lange, geforceerde gaap doe ik hem open op de goede bladzijde en schrijf: “Afgestoft, gestofzuigd, bed opgemaakt, gestreken, gewassen gordijnen opgehangen.”
    Als mijn tas op mijn schouder hangt zeg ik: ‘Nou, fijne dag dan nog!’
    Hij staat op, pakt zijn rollator en schuift met me mee naar de voordeur. ‘Bedankt hè! Tot ziens.’
    ‘Tot ziens.’
Overweldigend
2009/08/15 16:08:26
11 juli 2009

Terwijl mijn benen de pedalen rondjes laten draaien en het rumoer van de straat de achtergrondmuziek vormt, word ik onverwachts geraakt. De piano in mijn oren pingelt de noten, de stem bezingt de melodie en mijn gevoel loopt over van intense herkenning. Mijn rechterduim drukt op het linkerdeel van mijn iPods witte cirkel en alles begint opnieuw. Dit keer zorgen mijn trommelvliezen ervoor dat de oscillatie uitermate zorgvuldig en precies wordt doorgegeven en concentreert elke haarcel in het slakkenhuis zich op het ontleden van ieder geluid om te bevestigen dat dit nummer prachtig is.
    De stem is zacht, maar bezield en roerend, met af en toe een klankkleur die me doet denken aan paarse regen. De woorden zijn verrassend rakend, perfect verhalend wat ik voel. Het refrein ontluikt zich wonderlijk, me verbluffend met de eindzin, die zijn kracht haalt uit van sereenheid doortrokken simpelheid.
    En al weet ik dat het niet zou kunnen, toch ontspruit de bevlogen, ongegronde gedachte zich dat dit nummer voor mij geschreven is. Elke 4:08 minuten neemt mijn duim de taak op zich dezelfde knop in te drukken, zodat elke sensatie van dit moment perpetueert. Ik draai aan de witte cirkel tot alles gevuld is met niets anders dan wat ik nu zou willen: me vastklampen aan dit moment.
    Ik herinner me Iris van de Goo Goo Dolls en mijn onthutste ongeloof toen ik hoorde hoe het mijn gevoel zo goed in klanken schetste. Maar ik was slechts een van de zovelen die haar hebben aanboden - zij is nooit van mij geweest.
    Dit nummer echter behoort alleen mij toe, zolang het constant in mij resoneert. En daar waar het me geraakt heeft, zal ik voor altijd aangeslagen zijn.
Identiteitscrisis
2009/08/15 16:07:36
30 juni 2009

Welke naam je ook hebt, je bent gedoemd. Moeilijke, onbekende namen worden verkeerd uitgesproken, verkeerd opgeschreven of verkeerd onthouden. Makkelijke, veel voorkomende namen brengen stereotypen met zich mee – iedereen kent wel een Sophie, Lieke, Tim of Ruben. Wat dan wel als voordeel heeft dat je als drager van zo’n naam weet dat er talloze anderen rondlopen met dezelfde naam, terwijl iemand met een onbekendere naam zich unieker voelt zonder vergelijkingsmateriaal.
  
Ik ken dan ook niet veel Mina’s en niemand die ik ken kent een Mina (afgezien van een man waar ik ooit eens bij heb moeten werken; zo’n 50 jaar geleden had hij een liefje dat Mina heette). Google en Hyves vertellen me dat er honderden anderen zijn, maar in real life heb ik er maar één oppervlakkig gekend. En ik vond haar geen Mina; ze lachte dommig en was te naïef (waarmee ik niet wil zeggen dat ik die dingen niet doe of ben – alleen in mindere mate. Hoop ik). Maar ik raakte er beduusd van. Hoe kon iemand met zo’n karakter Mina heten? Ik weet niet of het arrogantie, kleingeestigheid of conservatisme is, maar stiekem vind ik dat alleen ik Mina mag heten. Ik wil niet dat men het over mij heeft en de vraag gesteld wordt: ‘Welke Mina bedoel je?’. Ik wil als enige van mijn soort onthouden worden.
  
Zo mag mijn zus ook alleen maar Banafsheh heten. Hoe moeilijk uitspreekbaar, opschrijfbaar of onthoudbaar dat ook is. Zij is Banafsheh. Lullig voor haar, want werkelijk iedereen reageert op de bekendmaking van haar naam op één van de volgende drie vermoeiende manieren: 1) “Hóe heet je?”, 2) “Dat is een aparte naam!” of: 3) “Leuk je te leren kennen, Bafsji”. Zij vindt het zodanig irritant dat ze besloten heeft voortaan een andere naam te gebruiken in situaties waarbij het niet noodzakelijk is dat men haar echte naam weet (bijvoorbeeld voor het maken van een afspraak bij de kapper). Als pseudoniem gebruikt ze Mina.
 
Ik had haar al de nadelen kunnen noemen van het dragen van mijn naam, zoals de vele grapjes (jeetje Mina, dolle Mina, enz.), het feit dat mijn naam ook niet altijd begrepen wordt (Nina, Mila, enz.) en de makkelijk bedenkbare, denigrerende afkortingen (Mini, Mientje, enz.). Maar ik was in shock toen ze het vertelde, dus het enige wat ik deed was uiterst intelligent constateren: ‘Maar... dat is míjn naam!’.
  
Ze kan zich niet zo noemen. Er vindt kortsluiting plaats in mijn hoofd als ik probeer te bevatten dat mijn Banafsheh Mina zou heten. Het is net zoiets als proberen te begrijpen dat het mogelijk zou zijn een nieuw stel hersens getransplanteerd te krijgen, of het verhaal trachten te geloven over het meisje dat glas huilde, of te horen krijgen dat de Matrix echt bestaat en dat proberen te accepteren. Het zijn dingen die heel misschien wel mogelijk zouden kunnen zijn, maar mijn verstand laat niet toe me die dingen te geloven; als ik ze probeer in te laten passen in de werkelijkheid lijkt het alsof mijn hersenen zichzelf uitschakelen om een burndown te voorkomen. Ergens stopt het verwerkingsproces en worden zulke ideeën opgeslagen onder ‘niet-reëel’.
  
Helaas kan ik haar niet tegenhouden. Wel kan ik de voordelen van deze identiteitroof inzien: als mijn zus mij wil zijn, wil ik geen Mina meer heten. Dan wil ik best Loes, Femke of Sandra heten. Of desnoods Sophie. Want ongeacht dat deze naam veel voorkomt, ben ik met mijn zwarte krulhaar, lichtbruine teint en oosters uiterlijk tenminste wel uniek. Ik wil geen vergelijkingsmateriaal zijn, niet te horen krijgen: “Je lijkt wel op een andere Sophie die ik ken”, maar liever: “Bij jou had ik geen Sophie verwacht”. Ik ben dan dus niet verdoemd. Ik ben gezegend, want ik word onthouden.
Winst
2009/08/15 16:06:45
29 mei 2009

Mijn economieleraar van zo’n zes jaar geleden had een theorie. Natuurlijk was het niet zijn theorie, maar was het driekwart eeuw eerder bedacht door ene Keynes of Marx of zo, maar door de gebreken van de theorie schrijf ik het liever aan mijn docent toe dan aan iemand die al dood is en het dus niet kan verdedigen.
     Het ging over winst en verlies, want daar gaat economie altijd over. Stel je voor: er is binnenkort een feestje, waarvan het entreegeld tien euro bedraagt. Je zou daar graag heen willen, maar dan belt je oppasadres op met de vraag of je die bewuste avond een paar uurtjes kan komen oppassen. Na wat nadenken besluit je verstandig genoeg voor het oppassen te kiezen – je bent moe, verstandig, volwassen, of zo braaf dat je naar je ouders luistert en hen gelijk geeft dat tien euro voor een feestje wel veel geld is. Geld wordt dus verdiend in plaats uitgegeven. Maar hoeveel winst maak je precies als je vier uur oppast voor een vergoeding van zeven euro per uur?
 
Achtendertig euro volgens deze theorie. Want de tien euro die je niet uitgegeven hebt aan het feestje telt ook mee in je winst. You do the math.
  
Ik pas deze theorie graag toe op mijn dagelijks leven, aangezien mijn theoretische uitgavenpatroon rooskleuriger is dan de praktijk. Maar dit is een theorie, dus we hebben het niet over de praktijk. En de beste theorieën zijn die welke je een goed gevoel geven. Zoals deze. Als voorbeeld zal ik vandaag nemen:
 
 - Treinreis van Amsterdam Centraal naar Eindhoven. Aangezien ik een OV heb, heb ik niets hoeven betalen. Anders zou een retourtje zonder korting €30,80 bedragen. Een mooie eerste winst.
 - Lunch bij Bagel & Beans. De totaalprijs voor twee bagels, een thee en een koffie verkeerd bedroeg €13,50. Door omstandigheden (rare bonnetjes, onoplettende serveersters en twee ondeugende meisjes) was het bedrag dat mijn vriendin en ik hiervoor betaald hadden slechts €4,50. Dat maakt een winst van €4,50 per persoon. (Again: you do the math.)
 - Gratis spullen. Ik kan me niet voorstellen dat er mensen zijn die overgehaald worden tot het stemmen op een bepaalde partij door het overhandigd krijgen van zogenaamd handige, prijsloze artikelen, maar ik maak er graag gebruik van. De opbrengst: drie pennen, drie gelukskoekjes en twee tomaatvormige schuursponsjes. Geschatte waarde: €5,-? Kleine, maar significante winst.
 - Drankjes. Nadat de serveerster onze lege cola light-glazen had weggehaald waar we al voor hadden betaald, kwam er plots een andere serveerster met twee volle glazen cola light bij de tafel staan. Na wat onbegrijpelijk gestamel van beide kanten en de op een geïrriteerde toon uitgesproken vraag: ‘Twee cola light of niet?’, sloegen de ondeugende meisjes weer toe. In totaal vier cola’s voor de prijs van twee. Dat maakt een winst (of verlies?) van €0,-.
 - Overige uitgaven. Ontbijt, avondeten, tussendoortjes, scheergel: een geschatte €6,-.
 
Eindtotaal: €30,80 + €4,50 + €5 + €0 - €6 = €34,30. Meer dan €30,- winst! Lucratief dagje dus. Geweldige theorie.
 
Nu zou ik allerlei tegenwerpingen kunnen bedenken waardoor mijn totaalsaldo op een negatief getal uitkomt, maar dat zou deze theorie helaas niet ten goede komen. Mocht iemand anders deze tegenwerpingen willen maken: reken eerst je eigen winst van vandaag uit en bedenk je daarna pas of je commentaar hebt. Zo ja, dan verwijs ik je graag door naar mijn vroegere economieleraar. Mocht je geen verdediging willen horen, maar je eigen tegenwerpingen willen doordrukken, dan kun je bij ene Keynes of Marx of zo terecht. Succes!
Het echte leven
2009/08/15 16:06:00
11 mei 2009

 
Hoog Catharijne, 17:45 uur. Geroezemoes, chaos, ontwijken, inhalen, doorlopen.
 
‘Hee... Hee... Mag ik je wat vragen?’
    Ik kijk naar links. Jongeman van achter in de twintig, klein, donker haar, buitenlands uiterlijk en accent, zachte stem. Kijkt onzeker en uit zijn ogen. Terwijl we verder lopen langs de Douglas visualiseer ik alvast de kaart van Utrecht, anticiperend op vermoedelijk een wegwijsvraag.
    ‘Ja, hoor.’
    ‘Heb je... euhm, ik vroeg me af of je misschien zin hebt om met mij wat te gaan drinken nu?’
    Mijn linkerwenkbrauw gaat omhoog. Uiterst serieus weet ik snel te antwoorden: ‘Nee, sorry.’
    ‘Ow.... Ow... Waarom dan niet? Moet je nu naar huis?’
    ‘Nee.’ Nog steeds serieus. Belangrijk is om nu niet te gaan lachen – dat zou hij op kunnen vatten als een aanmoediging.
    ‘Dan zouden we toch ergens wat kunnen drinken?’ Ik zie hoe hij aan de ene kant onzeker wordt van mijn afwijzing, maar aan de andere kant denkt: “Ik heb niets te verliezen, dus door blijven vragen”.
    ‘Nee, sorry.’
    Even is hij stil, maar blijft naast me lopen. We zijn al bij de Promiss. Dan speelt hij in op het mogelijk niet-definitieve van dat antwoord: ‘Ow ok... Maar dan... Zou ik dan je nummer mogen? Misschien kunnen we een andere keer wat drinken.’
    Hij is lastig. En ik standvastig. ‘Nee, dat wil ik niet.’
    ‘Waarom dan niet? Ow, je hebt vast al een vriend?’
    ‘Nee, sorry, ik wil het gewoon niet.’
    ‘Dan zou het toch wel gewoon kunnen?’ Hij heeft teveel films gezien waarin onterecht verteld wordt dat bij een vrouw een “nee” altijd een “ja” is.
    ‘Ik zei nee.’
    Het blijft even stil, afgezien van de constante achtergrondgeluiden en een galmende schaterlach in de verte. Hij blijft naast me lopen, langs de Jamin. Hoe ongemakkelijk en irritant ik deze situatie ook vind, ik ben best benieuwd hoe lang hij dit zal volhouden. Ik hoor hem mompelen. Hij is bezig de waarheid te verdraaien: ‘Je hebt vast een vriend maar wil dat niet zeggen’.
    Altijd vervelend als je niet geloofd wordt. Het roept een verdedigingsmechanisme op om te schreeuwen dat je godverdomme niet liegt. Maar aan de andere kant kan het me weinig schelen. Dus ik loop verder. Kijk strak voor me uit. In mijn linkerooghoek zie ik hem langzaamaan verdwijnen, totdat ik zeker weet dat hij echt niet meer naast me loopt. De verleiding om achterom te kijken is groot, maar ook dat brengt het risico van “nee = toch wel” met zich mee.

In plaats van medelijden, irritatie of ongeloof voel ik nu schuld. Want het is best zielig. Hoe sukkelig hij ook was, ik was hard. Misschien te hard. Stel je voor dat hij serieuze problemen heeft. Daarvoor naar een therapeut gaat en zijn hart uitstort over zijn eenzame leven. Hij kan zo moeilijk contacten leggen met anderen, hij wil zo graag eens een keer vrienden. En een vriendinnetje. Maar hij weet niet hoe. Hij ziet elke dag de rest van de wereld gelukkig zijn met elkaar en hij benijdt ze, vraagt zich af hoe hij zo zou kunnen worden. En de therapeut heeft een twintigstappenplan met weekdoelen. De eerste week was de stap om iemand op straat gedag te zeggen, de tweede week tegen de caissière in de HEMA een opmerking maken over het weer, de derde week een onbekend telefoonnummer bellen en verklaren dat hij verkeerd verbonden is, enz, tot hij aankomt bij de elfde week: zomaar iemand van het andere geslacht aanspreken om eens op een date te gaan.
    Dus toen trof hij mij. Een wantrouwig meisje dat liever met rust gelaten wordt, niet houdt van diensten bewijzen aan onbekenden en in openbare gelegenheden zich altijd afsluit van haar omgeving met haar iPod. En dit meisje wees hem resoluut af (afgezien van de “sorrys” die ik geneigd ben achter mijn “neeën” te plakken, maar dat is meer een beleefdheidskwestie dan dat het me daadwerkelijk spijt).
    Hoe zou hij zich nu voelen? Nog meer in de steek gelaten dan voorheen? Zal hij zijn gebroken hart uitstorten bij zijn therapeut, die hem vertelt nog steeds hoop te koesteren in de mensheid? Dat hij het de twaalfde week gewoon nog eens moet proberen? Dat het niet uitmaakt dat de twintig weken er nu eenentwintig zullen duren?
    Of zal hij gehard zijn door mij? Beseffen dat zoals hij door mij (een individualist zoals er miljoenen anderen zijn in dit land) is behandeld normaal is en dat hij er gewoon aan moet wennen? Zal hij stampvoetend naar zijn therapeut gaan en schreeuwen: ‘Rot op met je twintigstappenplan! Zo werkt het echte leven godverdomme niet!’ en vervolgens een stuk gelukkiger en minder krampachtig door het leven gaan?
    Ik hoop het tweede. Dan heb ik hem iets bijgebracht. Dan ben ik zijn meedogenloos harde therapeute geweest. Maar ík boek dan tenminste wel resultaat.
Altijd checken
2009/08/15 16:05:08
17 april 2009

Mijn hakken galmen door de gang, terwijl mijn hart op hetzelfde ritme bonkt. ‘Alsjeblieft, laat het er nog zijn’, is de enige gedachte in mijn hoofd. De deur ruk ik met een zwaai open, spring in de kale hal en zet struikelend de drie stappen naar de lift, waar ik dramatisch op het liftknopje val in plaats van er fatsoenlijk op te drukken.
 
Terwijl ik prevel: ‘Schiet nou op’ en op en neer hups op mijn plek, zie ik naast me een groot raam. Ik werp me erop zoals een slechte soapactrice zich zou werpen op haar minnaar die besluit dat het afgelopen moet zijn met hun affaire. Met mijn neus en handen plat tegen de ruit gedrukt kijk ik naar beneden, maar er bevindt zich een of ander groot bord voor de plek waar ik mijn fiets heb vastgebonden. Nu weet ik dus nog niet of hij er nog is. ‘Shit’, prevel ik verder. Ik verplaats mijn positie naar vlak voor de liftdeur, waar ik weer prevelend en hupsend wacht tot de lift mij toegang verleent tot zijn staalgrijze kern.
 
Ongeduldig druk ik een aantal keer op BG, totdat de lift besluit me daarheen te vervoeren. Ik hijg, terwijl ik mijn stompzinnigheid overdenk: ‘Hoe kan ik het vergeten zijn? Dit tasje, met zijn belangrijke inhoud, ik had er veel beter op moeten letten. Hoe kon ik zo dom zijn?’ De lift is langzaam, tergt mij met zijn haast lijzige traagheid. De deur van etage 4 is nog maar net voorbij.
 
Ik check zo vaak of ik geen dingen vergeten ben, waarom nu dan niet? Altijd vóór ik de voordeur uitloop, klop ik op mijn rechterjaszak en als ik dof gerinkel hoor en de uitsteeksels van mijn sleutels voel, durf ik de deur pas dicht te trekken. In winkels check ik altijd even of ik mijn portemonnee niet op de toonbank heb laten liggen en als ik naar de wc ben geweest strijk ik langs mijn benen om te voelen of mijn rokje wel hangt zoals hij hoort. En meestal controleer ik of ik alles van mijn fiets heb gehaald als ik hem op slot heb gezet. Maar nu dus niet. Hoe ongelofelijk stom.
 
Stel je voor dat het er niet meer is. Dat iemand in de afgelopen drie kwartier zo asociaal is geweest het zomaar mee te nemen en mij te ontdoen van deze drie belangrijke dingen in mijn leven. Ik had ze weggebracht om weer te laten maken, zodat ze weer een tijdje mee zouden kunnen gaan. Ik kan namelijk niet zonder. Met zulke belangrijke dingen had ik veel voorzichtiger om moeten gaan. Als ze er nu niet meer zijn, zal ik zó verdrietig zijn en mezelf zó verfoeien.
 
Eindelijk, BG. Ik duw al tegen de liftdeur voor hij volkomen stilstaat en koppig houdt hij hem gesloten tot ik hem wat rust geef en daarna pas weer duw. Met grote passen spring ik naar buiten en zie tot mijn grote vreugde dat het er nog hangt! Alsof het nu nog uit zal maken, zet ik een laatste sprint in en haal het tasje van mijn stuur. Snel kijk ik in het tasje en zie in elk geval hun drie kleuren: iets wits, iets zwarts en iets bruins. Nu nog tellen of ze er alle zes zijn.
En gelukkig, ik heb ze gered en ben zelf gered. Mijn tasje is onaangeraakt gebleven. Mijn schoenen zijn weer terecht.
Vergetelheid
2009/08/15 16:04:23
1 april 2009

Daar waar ik bang voor was is net gebeurd. Vanaf mijn plek drie stoelen achter de chauffeur kijk ik quasi-nonchalant, maar innerlijk paniekend, uit de busramen. Ik voel de leegte die hangt in het voertuig, benadrukt door het serene zoemgeruis van de motor en de wielen op het asfalt. Me bewegen durf ik haast niet. Verkrampt blijf ik daarom in dezelfde houding gebogen, doemdenkend over de situatie waar ik nu in zit. Als enige passagier in een bus, met de buschauffeur als machthebbende over mij aan het stuur. De stilte omarmt mijn verlammende angst ijzig.
 
Ik ben namelijk ietwat claustrofobisch. Niet per se omdat ik bang ben voor kleine ruimtes, maar meer als ik geen uitvluchten heb. Wc’s vind ik dus niet eng, behalve als ze niet meer open kunnen. En van de gedachte aan opgesloten zitten in een kamer waarvan ik de sleutel niet heb, word ik al traumatisch. Ook ervaar ik het in de weinige liftritjes die ik beleef; dat beklemmende gevoel van benauwdheid en angst voor het gevangen zijn. Zelfs in auto’s, treinen, vliegtuigen en uiteraard bussen voel ik het. Het enge idee dat ik er niet uit kan wanneer ik dat wil. Dat ik niet de controle heb over mijn vrijheid.
 
Maar het is relativeerbaar, want waarom zou ik er ooit uit moeten voordat de chauffeur dat toestaat? Geen reëel antwoord op te geven. Toch blijf ik bang, want de bestuurder is de beslisser over wat er gaat gebeuren en stel je voor dat hij snode plannen heeft, of simpelweg gestoord is en er weetikveelwat zou kunnen gebeuren? Dat hij opeens besluit met de bus naar Portugal te rijden en de passagiers ontvoert? Halverwege Frankrijk zal hij vast zonder benzine komen te zitten, maar dat doet niet af aan de engheid van het idee. Dan zit je wel al in Frankrijk in een stadsbus met een maniak als chauffeur.
 
Na zulke denkbeelden troost ik me met de gedachte dat ik dan tenminste niet alleen ben: mijn medereizigers zijn er nog. Dat voelt fijner en veiliger en alsof het dan heus wel goed komt. Vanavond is dat echter maar de vraag. Ik sta er helemaal alleen voor. Alleen de chauffeur en ik. Wat als hij besluit om nu zijn Portugalplannen door te zetten? Dat hij, terwijl hij in de stilte zijn leven overdenkt, besluit om impulsiever te zijn en in plaats van rechts te gaan en de haltes te volgen naar links gaat? Ik stel me voor hoe hij in zijn achteruitkijkspiegel zou kijken en manisch lachend zou schreeuwen: ‘We gaan hier weg! Hoor je dat? Ik neem je mee naar Portugal!’. En ik, hyperventilerend van de pseudo-claustrofobie, zou onbeweeglijk op mijn stoel zitten, me ondertussen druk makend om mijn afloop.
 
Ik ben dan niet het bangst voor de dood, niet voor martelingen of misbruik, niet voor pijn of honger, niet voor niet-de-juiste-schoenen-meehebben of voor het moeten afkrijgen van het verslag dat overmorgen ingeleverd moet zijn. Het bangst ben ik voor de vergetelheid. Dat niemand weet waar ik ben, wanneer ik er niet meer was, wat er met me gebeurd is. Niemand zal iets weten. Dat iedereen in de krant leest over lijn 70, die op zondagavond plots afweek van zijn route en vervolgens onvindbaar is. Met absoluut geen informatie over eventuele passagiers. Iedereen is onwetend. En ik ben niets meer, behalve zomaar iets in de vergetelheid opgeslokt.
 
Met mijn gepieker heb ik al tien minuten solotijd met de chauffeur gedood. Tijd waarin we keurig de route hebben gevolgd. Station Hilversum is al bijna in zicht. Hij kan eigenlijk geen andere weg meer nemen, behalve die naar de plek waar we deze onderlinge ruimte zullen verlaten. Met mooie draaibewegingen aan het stuur manoeuvreert hij het logge voertuig naar de afgelegen parkeerplek voor de bussen in plaats van de afzetplek voor uitstappende passagiers. Is hij nu dan nog iets van plan? Gaat hij hier nog ons vervolg overpeinzen, twijfelend of hij toch niet Portugal boven Nederland verkiest? Maar hij doet routinegewijs de motor uit en pakt zijn spullen. Ook ik sta op en loop ietwat trillend naar de deur. De vrijheid is in zicht. De chauffeur kijkt plots op en brengt een schrikgeluid uit, doet een hupsje naar achter en kijkt me onthutst aan. Dan lacht hij verontschuldigend: ‘Sorry, ik had niet door dat jij er nog in zat’. Ook ik lach – opgelucht - en zeg dat het niet uitmaakt, terwijl ik de bus uitloop en me te goed doe aan frisse lucht. Maar het maakt wel uit. Ik was daar echt even. Een tijdje ronddwalend in de vergetelheid.
Wie het taalst lacht...
2009/08/15 16:03:37
20 maart 2009

Oorspronkelijk een essay voor een vak (verklaart ook de literatuurverwijzingen), maar ik vind hem best leuk en plaats hem maar gewoon :)
 
We zijn allemaal sadisten. We lachen graag om andermans fouten en voelen onszelf vervolgens slimmer en beter. Vooral taalfouten zijn een bron van vermaak. Krantenkoppen als ‘Scheidsrechters te kort’ of spelfouten als ‘kontstructie’ leveren een grinnik op bij de meeste mensen. Men rolt met de ogen en vraagt zich af hoe de schrijver in hemelsnaam zo’n fout heeft kunnen maken. Die vraag is begrijpelijk, maar is het een lachopwekkende vraag? Naar mijn idee niet. Fouten worden nou eenmaal gemaakt en taalfouten vooral. Niets humoristisch aan.
 
Tegenwoordig zijn er veel sites met betweterige mensen die op sarcastische wijze verslag doen van taalfouten uit de media of hun dagelijks leven. Wie naar irritaal.nl, taalpuristen.web-log.nl of spatiegebruik.nl surft, vindt een heel scala aan respectievelijk irritant taalgebruik, allerlei verschillende taalfouten en onjuist spatiegebruik. En allen slaan ze dezelfde honende toon aan, propagerend dat fouten in de Nederlandse taal opgespoord en tegengegaan moeten worden. Daarin geef ik ze volkomen gelijk, maar moet dat per se op zo’n beschimpende toon?
 
Lachen om taalfouten lijkt enigszins op leedvermaak. Je lacht dan weliswaar niet om het ongeluk dat iemand meemaakt, maar spot met het ongeluk dat iemand bezit. Want taalfouten worden dom gevonden. Volgens Jansen (1986: 110) is dat omdat zo’n ‘taalfouter’ niet zoiets elementairs als zijn eigen taal beheerst. Dit punt wordt door De Jong en Burger (1991: 121) onderstreept. Volgens hen is foutloos spellen als het ware een toegangsbewijs voor de beschaving. Dit gaat vooraf door de mooie zin: ‘Wie schrijven kan is alfabeet, wie kan spellen is alfabeter’. Het beter weten dan anderen is niet erg, maar er cynisch om lachen is het bedenkelijke. Dat doe je alleen maar als jij je er zelf beter over gaat voelen.
 
Een van de redenen waarom we mensen op hun taalgebruik aanvallen is omdat men denkt dat taalgebruik iets is wat bewust plaatsvindt en dat de taalfouter de fouten daarom had kunnen vermijden (Jansen 1986: 111). Maar zijn taalfouten echt onvermijdelijk? Iedereen maakt namelijk fouten en overigens, wie zegt wat goed en fout is? Volgens Renkema (De Jong en Burger, 1991: 77-78) bestaat er geen overeenstemming over de normen waaraan ‘goed’ taalgebruik moet voldoen. De zeven normen die hij opstelde (historische, autoriteits-, logische, statistische, zuiverheids-, effect- en esthetische normen) kunnen met elkaar in conflict raken en geen enkele ervan is consequent te volgen.
 
Het kan wellicht zo zijn dat we lachen om de miscommunicatie die kan ontstaan door taalfouten. Toch is bijna iedere zin met een spelfout nog goed te begrijpen. Je snapt nog steeds wat er bedoelt wordt. Verkuyl (1990: 55) beschrijft dat er juist meer miscommunicatie is door misleidende maar welgevormde zinnen dan door zinnen met taalfouten. Het Nederlands is dan ook een ingewikkelde taal. Als voorbeeld geeft Verkuyl de volgende zin: ‘Om hangende de uitkomsten verdere afkalving tegen te gaan, zal in 1990 en 1991 Mf 2 gereserveerd worden voor een door de RUL op te stellen plan...’ Grammaticaal correct, maar gaat het hier om twee of vier miljoen gulden? In het dagelijks leven komen wij ook zulke ambiguïteiten tegen; iedereen heeft vast wel eens in dubio gestaan over wat te antwoorden op de vraag of je geen koffie wilt.
 
Zoveel op het internet te vinden over taalfouten, maar nauwelijks sites of weblogs over de intentionele taalfouten: de woordspelingen. Dat zijn immers de taalfouten die naar mijn idee wél grappig zijn. Ze tonen aan dat de maker ervan over vindingrijkheid beschikt en dat verdient lof, dus zal de lezer de schrijver waarderen. Eveneens zal de lezer zich beter voelen over zichzelf, omdat woordspelingen een beroep doen op het taal- en spelletjesgevoel van de lezer. Als die lezer de woordspeling doorheeft, kan hij zich rekenen tot ‘hen die het snappen’ (Van Mulken, Van Enschot-van Dijk en Hoeken 2003: 344).
 
Vervolgens hebben Van Mulken, Van Enschot-van Dijk en Hoeken (2003: 350) een onderzoek gedaan naar woordspeling en waardering, waaruit bleek dat lezers verwerkingsplezier aan woordspelingen beleven. De slagzinnen met woordspelingen werden volgens de resultaten van hun onderzoek leuker en beter gevonden dan slagzinnen zonder woordspelingen. Ze namen geen klankspelingen zoals rijm of alliteratie of metaforen mee en gebruikten alleen reclameteksten, maar het lijkt mij dat lezers niet zoveel ervaringsplezier zouden beleven als ze hadden moeten lachen om een taalfout in welke soort tekst dan ook.
 
Mijn eigen taalfoutradars staan constant op scherp en mijn tenen krommen zich bij elke misplaatste spatie, verwarde t of een verkeerd verwijswoord. Toch is mijn ergernis over het algemeen niet bespottend bedoeld - ik ben gewoon erg perfectionistisch. Al moet ik nu wel bekennen: ook ik ben geen heilige. Mijn vaak onzichtbare, sadistische kant lacht stiekem geniepig bij één groep mensen die onverhoopt taalfouten maakt: de taalfouttraceerders zelf. Betweters moeten soms op hun plaats worden gezet door hen te wijzen op het feit dat het toch echt ‘iets wat’ is en niet ‘iets dat’. Bij het vinden van zo’n fout klinkt er in mijn hoofd een gemene jubelkreet: ‘Ha! Zelfs jij!’. Dat vind ik dus heimelijk het allerleukst: de zeikerds afzeiken. En nu maar hopen dat ik bij het schrijven van dit stuk geen taalfout heb gemaakt – anders lacht de lezer het hardst.
20 Totaal items 1  2  3 


Blogbottom menuOver mijbottom menuCVbottom menuContact