Hier onder de grond is de enige plek waar ik me in het westen wanen kan. De lucht is koeler, de geluiden van de straat verstomd. De metrostellen, de tegels op de muren, de omroepstemmen en de toegangspoortjes vormen een scherp contrast met de krakkemikkige chaos van het bovengrondse Teheran. Zo’n strak vormgegeven omgeving en organisatie is typerend voor steden uit het westen, niet voor deze stad die evenveel mensen herbergt als heel Nederland dat doet. Totaal anders zijn de bussen met hun oorverdovend geronk, keiharde stoelen, voortdurend getoeter en aparte vrouwen- en mannengedeeltes. Al heeft de metro ook aparte vrouwencoupés. Vrouwen kunnen daar gaan zitten of zich tussen de mannen mengen. Meer segregatie was vanuit praktische overwegingen (lange metro’s, veel volk) niet mogelijk. Meer bescherming van mannen tegen vrouwen of vrouwen tegen mannen (ik ben er nog steeds niet achter wat het is, maar welke van de twee het ook is, ik behoor altijd tot de onderdrukte groep) was hier onuitvoerbaar.
Met Blof in mijn oren overstijg ik de ruimte, kan even pretenderen dat alles Nederlands is. Alleen blijft mijn sjaal kriebelen onder mijn kin en naar achter glijden op mijn hoofd, maar het blauw blijft mijn gezicht braaf omhullen, zoals ik in de kromming van het raam voor me kan zien. Links van me staan een man en een jongetje. Het zoontje pakt zijn vaders hand. We bevinden ons op hetzelfde oogniveau – ik zittend, hij staand. Schuw kijkt hij me met zijn kleine oogjes aan vanonder zijn groene muts. Ik kijk op. Verlegen draait hij zijn hoofd weg. Ik glimlach. Speels draai ik mijn hoofd weer weg. Tot ik voel dat hij weer naar me gluurt. Dan kijk ik weer, glimlach. Dit quasigeflirt met een kleuter herhaalt zich een aantal maal, waarbij ik soms even een gekke bek trek en hem giechelen laat.
Het kleine jongetje is niet de enige die me bekijkt. In de stoel recht tegenover me zit een jongen. Zijn uitzicht ben ik. Al zou hij ook naar zijn spiegelbeeld, mijn schoenen of mijn moeder rechts van me kunnen kijken, maar ik voel zijn ogen gebrand op mij. Als ik per ongeluk mijn blik met de zijne kruizen laat, beweegt hij zijn mond, lijkt woorden te vormen. Verward haal ik een oordopje uit mijn linkeroor, kijk vragend en mompel: “Wat?”. Hij zegt niets meer, kijkt me alleen maar aan. Ongemakkelijk stop ik mijn muziek weer in mijn oor en vestig mijn aandacht maar weer op mijn zesjarige flirt.
Toch blijf ik zijn ogen voelen. Zelfs als de metro voller raakt en er meer mensen tussen ons in gaan staan, zie ik zo af en toe tussen de wiegende en bewegende ledematen door hoe zijn ogen gefixeerd zijn op mij. Dan zie ik ook iets anders. In zijn hand houdt hij een papiertje, erop een paar nummers, duidelijk voor mij te lezen. Ze zijn bedoeld voor mij. Ik lees ze niet.
Al overweeg ik het wel. Om te doen alsof ik de nummers onthou, omdat ik ze later in zal gaan toetsen op mijn telefoon. Om hem dan een knipoog te geven of wulps te glimlachen. Of om bij het naar buiten gaan vlak langs hem te lopen en het papiertje aan te nemen. Gewoon om eraan meegedaan te hebben. Aan de ‘liefde’ hier in Iran. Omdat het hier zo gaat, zo stiekem, zo geheim. Omdat hier verliefdheden ontstaan door vunzige blikken en heimelijke briefjes. Omdat jongens en meisjes elkaar op weinig andere manieren kunnen leren kennen. En ik kan er nu aan meedoen, me zo’n meisje wanend, voor me zo’n jongen, in deze omgeving die vreemd vertrouwd voelt. Maar waar de mensen, mijn hoofddoek en de wagon rechts van me vol met vrouwen me eraan blijven herinneren dat ik hier niet in het westen ben. Juist daarom doe ik het niet. Zo ben ik niet. Mijn zelfrespect bestaat eruit dat ik er niet op inga als iemand zonder me te kennen avances maakt. In Nederland niet, dus hier ook niet.
Als we bij onze halte zijn, sta ik op en geef een laatste knipoog aan het schuwe jongetje. Hij kijkt blozend voor de laatste keer weg. Ondeugend maar onschuldig. Tot hij over een aantal jaar deze blikken niet meer kent. Dan wisselt ook hij geile blikken uit met meisjes, omdat het hier nou eenmaal zo hoort. Ondertussen denk ik dan dat ik het zoveel beter doe, nooit ingaand op geflirt met vreemden, me stortend in westerse liefdes zonder vernedering of onderdrukking, gelovend dat de manier waarop ik mijn zelfrespect behoud de enige gezonde is.
Hypocriet die ik ben. Natuurlijk was ik gevleid door de aandacht die ik kreeg.
Wie zou zich niet gevleid voelen? ;)
Geweldig geschreven! Mooi verhalend, maar toch persoonlijk, leuk!
Nicole
2010/01/12 17:41:28
-
Je schrijft het zo mooi, alsof ik naast je zit en meekijk.
En ik ben zelf ook een hypocriet haha!
Anne
2010/01/12 11:31:37
^
Heel erg leuk om te lezen, wat schrijf je toch bijzonder en treffend, zoals altijd.
Mina
2010/01/12 10:51:36
-
@ Cheryl: Dank je :) Het is allemaal waargebeurd.
@ Esra: Fijn om te lezen dat ik niet de enige hypocriet ben ;)
Esra
2010/01/11 17:37:28
:)
Mooi hoor, hypocriet! Ik ben er ook één. In Nederland word je ook wel eens aangekeken/-gestaard natuurlijk, en ik ga er niet op in, oh, nee, nooit. Maar ervoor weglopen doe ik ook niet.
Bløf is altijd goed :)
Cheryl
2010/01/11 16:47:03
reactie
Erg leuk geschreven! Is het gebasseerd op de werkelijkheid of is het fictie?