Deze handleiding is ontworpen voor mensen die omgaan met mevrouw Etemad. Het is bedoeld als hulpmiddel om de communicatie te bevorderen, maar moet niet geïnterpreteerd worden als de enige omgangsmethode. U zou dit moeten lezen als een richtlijn, geen verplichting. Het biedt overigens ook geen garantie voor succesvolle communicatie; per situatie, persoon of gevoel kan het resultaat verschillen. Houdt u hier vooral rekening mee.
De grootste moeilijkheid die zich voor kan doen is dat mevrouw Etemad geneigd is vage antwoorden te geven als er iets aan haar gevraagd wordt. Op vragen als: ‘Hoe gaat het?’ of ‘Alles goed?’ antwoordt zij in 91% van de gevallen respectievelijk met: ‘Wel ok’ en ‘Ja, hoor’. Als ze een afwijkend antwoord geeft (meest voorkomend: ‘slecht’, ‘kut’) is dit niet serieus bedoeld en zal ze met een triviaal feitje over bijvoorbeeld een vastzittende toets op haar toetsenbord aankomen. De ervaring heeft echter laten zien dat ze deze vage, onoprechte antwoorden alleen geeft bij algemene vragen; hoe specifieker de vraag, hoe specifieker het antwoord dat u kan verwachten. Vragen als: ‘Hoe was je college?’, ‘Hoe was het schaatsen gisteravond?’ of ‘En hoe is het afgelopen met de docent die zo naar je benen zat te staren?’ zal ze wel gedetailleerd antwoorden. Dan heeft ze namelijk het idee dat u oprecht geïnteresseerd bent – ze is bang om anderen te vervelen en heeft vaak het gevoel waardeloos te zijn. Op zulke momenten is ze dan liever stil, al verlangt ze als ieder ander wel naar menselijk contact. Wij beseffen dat dit laatste helaas wel een grote betrokkenheid van u vergt, zoals het onthouden van details uit haar leven. Het probleem is dat zij dit enigszins van u verwacht, maar ergens ook weet dat geen normaal mens daar volledig aan kan voldoen. Zie dit dan ook als haar falen en niet als uw eigen fout.
Het is verder belangrijk aandacht te besteden aan de momenten waarop zij uit zichzelf iets begint te vertellen. In 83% van de gevallen is dit een anekdote over iets wat haar is overkomen, een verhaal dat ze gehoord heeft of (van zeer recentelijk aard) een MLIA. In alle andere gevallen vertelt ze in maximaal vijf zinnen over iets waar ze graag over zou willen praten. Dat kan een indicatie zijn voor u om te weten wat ze belangrijk vindt om te bespreken. U kunt dan besluiten om door te vragen. Doet u dit niet, is dat uiteraard geen probleem. Helaas zal zij dit echter wel opvatten als een tanende interesse, met als gevolg dat ze er verder niet meer over zal praten (zie hierboven). Deze gedachtegang heeft gelukkig geen effect op de rest van de communicatie, want ze verwijt u niets – ze weet zelf ook goed dat zij degene is die een denkfout maakt.
Wij begrijpen dat u na deze uitleg overdonderd kan zijn door de gecompliceerdheid. Dat spijt ons, maar het is geheel te wijten aan het studie-object zelf. Een laatste tip is daarom dat u er goed aan doet aan haarzelf te vertellen dat de ingewikkeldheid van haar omgang paradoxaal en moeilijk is. Zeg haar hoe irritant ze is. Misschien verandert ze er dan ooit iets aan.
De eerste liter smaakte wrang. Al viel het me mee – minder zuur dan ik gedacht had. Maar ik wou eigenlijk gewoon echt niet. Een klein kwartiertje daarvoor had ik met tranen in mijn ogen wat slokjes water gedronken, want dat wou ik ook niet. Ik wou niet hoeven plassen. Maar ik moest juist veel drinken en vooral cranberrysap. Dat had mevrouw de dokter gezegd, na een lange, pijnlijke dag en nacht, na thuis in een potje geplast te hebben (uiteraard mis), na per ongeluk de spoedlijn gebeld te hebben (“Een blaasontsteking is geen spoed! Tot ziens!”) en daarna wel het goede nummer, na naar de praktijk te zijn gefietst en van de doktersassistente gehoord te hebben dat ze verse urine nodig had en ik weer in een potje plassen moest (uiteraard weer mis), na gewacht te hebben op de uitslag en te horen hebben gekregen dat ze niets konden vinden, na wanhopig mijn klachten weer opgenoemd te hebben en ze alleen maar kon zeggen dat het waarschijnlijk een beginnende blaasontsteking was. Dat ik maar veel moest drinken en terugkomen als het erger werd. Na de slokjes water had ik me vermand. Dit was kut, deed pijn, ik kon het er niet bij hebben, maar ik ging beter worden. Het ging helpen. Dus dronk ik mijn eerste liter.
De tweede liter nam een langere verwerkingstijd in beslag. Het was later die dag, half vergeten, half oververzadigd. In een sushirestaurant gezeten had ik de neiging mijn literfles cranberrysap uit mijn tas te pakken, maar wachtte tot ik buiten was. Toen kon ik weer de handeling verrichten die bijna routineus begon te worden. Vele uren later, bij het wakker worden, was het niet mijn blaas die me aan mijn conditie herinnerde, maar de zoetzure smaak in mijn mond.
De derde liter was het zuurst. Er leek geen verbetering in te zitten, dus was ik ’s ochtends zeurderig door de pijn, de ergernis en mijn machteloosheid. Maar met elke slok van het rode sap scheen dat te verminderen. Dus dronk ik langzaam, kleine slokken, de hele ochtend en een deel van de middag. Mijn speeksel smaakte niet meer neutraal.
De vierde liter kwam er vlak achteraan. Het begon nu te vervelen. Als een ziek kind dat een vies hoestdrankje moet drinken klokte ik eens in het half uur een paar slokken weg. Ik at een heerlijke linzensoep, maar proefde het eigenlijk niet. Thuis poetste ik mijn tanden, maar zelfs de tandpasta smaakte zoet.
De vijfde liter was voor de zekerheid. ’s Ochtends binnen drie minuten gekocht voor ik doorfietste naar de uni, binnen drie uur opgedronken en met maar drie haast pijnloze wc-bezoekjes als gevolg – vergeleken met het recordaantal van zeven van de derde fles een zeer gelukkig resultaat.
De zesde fles ligt in mijn tas, onzeker van zijn lot. Hij weet dat het of nu is of anders nooit. Kies ik voor de zekerheid, voor de mogelijk helende werking van de laatste fles, en drink ik nog één laatste liter of kies ik voor de vrijheid, het welzijn van mijn tanden en gun ik mijn smaakpapillen wat rust? Mijn blaas houdt zich koest, is meningloos. Ik hoop dat hij dat voortaan dan ook blijft.
Het is nog te vroeg voor toeterende auto’s. Of voor bruiloften, botsingen of bijna-doodervaringen. Dus er moet iets mis zijn in het systeem. De stoplichten zijn vast kapot.
Ik krijg gelijk als ik uit mijn raam kijk. Een minuut of vijf blijf ik staren hoe de automobilisten eerst wachten voor het koppige rood, dan toeteren en ten slotte toch maar gaan rijden, kriskras door elkaar heen.
Ik ben zo iemand die met een gerust hart door rood rijdt, omdat ik weet wanneer het kan. Al zo vaak heb ik de stoplichtwerkwijze bestudeerd dat ik weet wanneer ik veilig kruispunten over kom, wanneer geen auto me raken zal. Ik ken het systeem.
Al vrees ik voor mijn toekomst. Over een aantal decennia zal het namelijk niet meer mogelijk zijn. Dan zullen alle auto’s een chip bevatten die in contact staat met elk stoplicht en waardoor simpelweg automatisch bepaald kan worden wie er door rood rijdt. Of wie te snel rijdt, want uiteraard kan zo’n chip dat ook meten. Alles kan worden geregistreerd en gereguleerd. Flitspalen of politieagenten zijn niet meer nodig om rood- of te-snel-rijders te pakken. Elke keer als ze een overtreding maken, is er een computer ergens die dat registreert, een boete uitprint en ervoor zorgt dat het op de keukentafel van de auto-eigenaar terechtkomt.
Fietsen zullen dan ook zo’n chip ingebouwd krijgen. Dan kunnen de bestuurders daarvan ook beboet worden en moet iedere fietser wel voor rood staan wachten. Na een tijdje komen ze echter achter de tekortkomingen: de ex-eigenaar van een gestolen fiets zal elke keer een boete ontvangen als de sadistische zwerver die zijn fiets heeft door rood rijdt. Dus besluiten ze dat een menselijke chip natuurlijk dé oplossing is. Binnen een maand wordt iedereen naar de huisarts gestuurd voor een injectie en vanaf dan ben je nooit meer veilig. Zelfs voetgangers kunnen beboet worden voor ontijdig oversteken. Of zelfs als ze niet op het zebrapad lopen, want je bent ook verbonden aan Google Earth en elk GPS-systeem natuurlijk.
Het is dan allemaal zo mooi strak georganiseerd. En zo heerlijk makkelijk. Niemand die het zal wagen te vroeg op te trekken of na even links en rechts gekeken te hebben door te fietsen bij een stoplicht. Dus niemand hoeft na te denken, niemand hoeft bewuste keuzes te maken.
Het is verwonderlijk hoe makkelijk de auto’s langs elkaar heen rijden vanuit alle richtingen, zonder daarvoor kleurtoestemming gekregen te hebben. En als je goed kijkt, zie je zelfs in deze chaos structuur – net zoals mijn schijnbaar gedachteloos door rood rijden structuur heeft. Je ziet de bestuurders, fietsers en voetgangers berekeningen maken, constant de posities en snelheden van de anderen bepalen, interpreteren en vervolgens doorkoppelen naar hun eigen gedrag. En het werkt. Want dat is het enige echte systeem.
Toen ik wegging scheen rechts de zon en links trok de nevel op. Ik ging naar links. Mijn voeten gaven schokken door aan de aarde die het geluid droegen van hoe een luidspreker voelt. Mijn benen verplaatsen zichzelf met mij. Mijn gehijg was het ruisen van mijn bloed dat de opdrachten van mijn hart uitvoerde. Ik keek naar de overkant, kon nog net de bomen zien, die al afgemat groen waren door het dofwitte gordijn dat er langzaam voor kroop. Het water had dezelfde kleur.
Ik rende zoals ik altijd ren. Blik recht vooruit, met een vastberadenheid die zich alleen dan in mijn gezichtsuitdrukking toont. Tranen uit mijn ogen als de wind te hard botste. Haar dat net als het hart sprong en danste alsof het levensvreugde bevatte. Stappen die bladeren vermorzelden en water deden verspringen.
Het licht verdween langzaam, maakte steeds meer plaats voor wit. Ik dacht aan het helse dat in mij huist, aan mijn duivelse onrust dat me graag bezit. Ik dacht aan de grijpgrage gemene handen die me onder water houden en die me niet laten ontkomen. Ik dacht aan hoe ik soms ondenkbaar kan stikken, ondertussen mijn ademhaling gelijk houdend, regelmatig, frequent. En ik zag hoe het wit zich verspreidde. Telkens sloot ik mijn ogen, voelde me dan zweven, terwijl mijn lichaam werkte, vooruitgang bewerkstelligde. Het ritme van mijn voeten was het beeld dat ik nodig had om door te blijven gaan. Ik veranderde alles.
Bij elke stap voelde ik het me meer omgeven, me zonder aanraking omhelzen. Ik voelde hoe mijn adem witte wolkjes vormde en even dacht ik dat ik het was die al die mist veroorzaakte. Ik zag het water al niet meer. Er was verder niets behalve ik die rende en mijn omgeving die meebewoog, maar zich nooit uitbreidde. Alles veranderde met mij.
Telkens liet ik schimmen achter, elke paar honderd meter één, die als zwarte vlekken bleven staan en langzaam vervaagden, tot ze uit mijn zichtbare cirkel verdwenen en oplosten in de mist. Als verslagen wachtten ze te vervluchtigen, verslagen doordat ik harder ren, doordat ik sterker ben, doordat ik vrijer werd.
Ik zag geen bomen meer, alleen wit. Er was niets anders. Er zat niets meer in mij. De rest stond nog op mijn route, loste langzaam op in iets heerlijk wits.
Toen ik weer aankwam, was rechts de zon ook verdwenen, eveneens opgeslokt in de lucht die ik in- en uitgeademd heb.
Ik wees een bloem aan. We wisten niet welke het was, dus we noemden het een bloem. Zo kreeg het toch een naam. Ik wees de gordijnen aan en we noemden ze rood. We noemden alles wat we noemen konden, beroepten ons op de afspraken over tekens die woorden smeden. We creëerden met de taal de werkelijkheid. Als we iets naamloos tegenkwamen, gaven wij het er een. De taal is de waarheid, zei ik. We beaamden dat. We schepten, werden geschept, maakten alles en elkaar.
Nu wil ik bepalen wat wel en niet is. Als er voor iets geen woorden zijn, wil het zeggen dat het niet bestaat. Dus ik verban. Ik verban de vier woorden, opdat ik zal vergeten. Er zal dan ook geen we meer zijn, omdat ik alleen zal zijn. Maar liever dat dan het te laten voortleven waardoor ik mijn pijnen moet gaan benamen.
zal er niet meer zijn. zal me verlaten. zal ik niet meer kennen. naam zal ik vergeten.
Veel vaker loop je trappen op en weer af dan trappen af en weer op. Dus we maken ons geen zorgen om degene die achter ons aan komt - een daling geschiedt moeiteloos en zo niet, dan is het eindpunt nooit het beginpunt.
Orpheus anno 2009. "Hij kwam er zuurder uit dan dat hij erin ging".