Vandaag valt alles zwaar. Ik ben grauw, moe en kan niet stoppen met denken. Ik sta weer stil na een paar dagen te hebben gezworven. Ik ben op vele plekken geweest, heb mezelf aan geluk gegeven. En juist daarom is vandaag te zwaar, te drukkend, juist daarom weet ik precies wat je bedoelde. Na pieken kun je zo diep vallen dat je de opgang liever wilt vermijden. Ik heb gedanst, gelopen, andere handen me laten betasten, ik heb gelachen, ik heb gepraat, ik heb dingen gezegd die ik tegen jou had kunnen zeggen. Ik heb gereisd, ik heb te weinig geslapen, mijn armbanden laten liggen. Mijn haar heb ik urenlang gelaten en me verbaasd dat het goed bleef zitten. Ik heb een kleine stommiteit begaan, maar daar wel om kunnen lachen. Ik heb andere mensen vermaakt en me laten vermaken. Ik heb me best mooi gevoeld in mijn witte jurkje (dat was immers wat jij mij vertelde). Maar ik besefte me dat ik weer stukjes van jou aan het zoeken was op andere plekken. Jij zit in zoveel anderen, in zoveel woorden, zoveel gebaren. Je zit in aanrakingen, in mijn geur, in de verhalen die anderen vertellen. Je zit in gesprekken over ganzenlever, iMacs en liefde. Je zit in stiltes, in muziek, in zuchten en in blikken. In onbekenden op onbekende plekken tussen onbekende gedachten. En ik moet er maar voor zorgen dat je uit alles verdwijnt, ik moet je verbannen. En juist na al dat geluk is dat zo zwaar, juist vandaag te moeilijk.
Ik weet ook niet wat ik wil. Het zijn niet alleen maar de zovele mogelijkheden, maar het is het niet weten of dat wat ik gekozen heb het goede is. Ik kan alleen maar zoeken naar wat ik niet wil. Net als in de wetenschap blijkt falsificatie de weg. De enige methode waarvan je met grote zekerheid kan zeggen dat het klopt, want ook gevoelens verifiëren is ongefundeerd. Dat zou betekenen dat ik door zou moeten gaan met zoeken naar wat ik niet wil tot ik uiteindelijk weet wat ik wel wil. Al weet ik niet hoe ik moet weten dat ik klaar ben; hoe weet ik dat ik alles gehad heb wat ik niet wil? Net zoals de waarheid is het willen onvindbaar. Ik heb jou altijd wel gewild – de mogelijkheden hadden simpelweg anders moeten zijn geweest.
Al ben ik nu even vergeten wat het ook alweer was dat ik niet wou.
Terwijl ik het idee had dat de tijd was blijven steken omdat alles net in elkaar was gestort, voelde ik je aanwezigheid verschijnen. En ik wist dat je wou proberen mij te behoeden voor al het slechte dat ik mezelf aan kon doen. Je wou mijn gedachten tegenspreken en ik wist al dat ik dat niet toelaten zou. Toch bleef ik nog even zitten, want deze scène moest worden gespeeld. Jij moest weten dat ik ok was, terwijl je pretendeerde mij te bedaren. Door de stilte gaf je me wat meer tijd om in mijn tijdloosheid te verblijven. Zachtjes zei je toen: “Het was niet jouw schuld. Het had altijd of iedereen kunnen gebeuren.” Zonder op jou acht te slaan stond ik op, keek straal langs je heen terwijl ik je passeerde. Je speelde je rol goed, met een lichte smeking in je stem als om mij daardoor te doen reageren. Maar je vertelde wat ik allang wist: “Het was niet te voorspellen. Jij hebt niets verkeerd gedaan.” Nijdig bleef ik abrupt stilstaan. Met mijn rug naar jou toe moest je zien hoe mijn schouders zich spanden en mijn nagels zich in mijn handpalmen drukten. Weer een stilte die langer had mogen duren. Maar jouw gedempte voetstappen naar mij toe zetten het schouwspel weer op gang. Eén stap van mij verwijderd bleef je achter me stilstaan en ik hoorde het geruis van je arm die omhoog kwam. Net voordat je me aanraken wou, zei je zachtjes mijn naam, als een vraag om jou aan te kijken en je te vertellen dat het goed was, dat je gelijk had en ik me door jou zou laten omhelzen. De smekende toon lag nog steeds in jouw stem, inmiddels ook met wanhoop doordrongen. Net voordat je me aanraken wou, draaide ik me om. Ik draaide me woedend om, plots en explosief. Ik draaide zo snel dat je hand in het luchtledige moest blijven zweven. En ik schreeuwde. Ik draaide en schreeuwde en wou dat je terugdeinzen zou. “Zie je het dan niet?!” Mijn ledematen vol boosheid, mijn stem hard en schel, mijn tranen die eruit leken geperst door mijn bloed dat zoveel sneller stroomde. “Ik heb alles goed gedaan en toch is het verkeerd gelopen! Ik heb niet gefaald en toch heb ik niets! Er is niets over!” Die blik van angst en bevreemde verbijstering in jouw ogen was het meest geruststellende wat ik die avond zag.
Je loog toen je me vertelde waar je geweest was, toen je zei hoe je je voelde, toen je een reden gaf. Maar we deden beiden alsof er niets was. Er was echt niks aan de hand. We zijn zo ver doorgegaan dat het zonder liegen niet meer lukt. Ik weet alleen maar dat ik je niet geloven moet, dat is het enige wat ik zeker weet. Ik verlies mijn realiteitszin, ik verlies wat ik als de waarheid zie. En de enige aan wie ik het vragen kan ben jij, degene die niet de waarheid spreekt. Jij bedenkt de regels, jij stelt de voorwaarden op, aan jouw eisen zullen we voldoen. In jouw wereld zullen we leven, daar waar jij alles bepaalt. Het is goed, het is ok. Hou me hier of laat me gaan.
Ik had in het licht kunnen gaan staan. Ik had achter niets meer kunnen schuilen. Ik had kunnen schreeuwen. Of zingen, krijsen, glazen kunnen laten breken. Je spullen kunnen verwoesten, je muren andere kleuren kunnen verven. Ik had je pad kunnen blokkeren. Ik had kunnen slaan, ik had je kunnen pijnigen of je zachtjes een por kunnen geven. Ik had zoveel gekund, zoveel uit te proberen.
Oh wacht, dat heb ik allemaal ook echt gedaan. Jij hebt gewoon nooit opgelet.
Tijdens het gesprek dwaalden haar ogen constant naar rechts van me. Het leek alsof ze in de verte staarde, maar doordat vier muren ons omringden wist ik dat ze ergens naar moest kijken. Toen ze schuifelend thee ging halen zocht ik dan ook snel het mogelijke voorwerp op waar zij al die tijd naar had moeten staren. Het was het portret van haar man. Een lieve opa. Zoals bij sommige andere ouderen was ook in hem slechts het afsterven van functies te observeren; wie of wat hij geweest was werd me ontnomen door de glazige blik in zijn ogen. 1923-2008. Meer was er hier niet van hem over. Maar ik zag hem wel in haar blik, ik zag hem daar overleven.
En ik vroeg me af of het idee dat mensen rondzwerven in andermans gedachten, altijd dwalend en slechts stukken herinnering aanrakend, niet voldoende is om te geloven in een leven na de dood. Al weet ik ook: voor ons is dat nooit genoeg. We moeten iets tastbaars hebben om onze nagedachtenissen gestalte te geven. Dus we graven en bedekken, we maken plaatsen om de drager van duizenden herinneringen in op te kunnen bergen. Het geeft ons rust, een gevoel van veiligheid. Aangezien we dat ook allemaal weten, willen we zelf opgeborgen worden, om onze nabestaanden een plek te geven die hen verlichting brengt. Want wat we ook weten is dat wijzelf niets aan onze eigen graven zullen hebben. Soms vergeten we echter dingen, dan weten we niet meer dat onze doden niet even heilig zijn voor anderen die niet dezelfde overledenen delen. We denken dat ons verdriet valt te begrijpen. De oude vrouw vertelde me hoe bedroefd ze werd als ze het graf van haar man op ging zoeken. Niet eens om zijn dood, maar om wat daar op het kerkhof gebeurde. De mensen hadden bloemen gestolen. Ze hadden vazen gestolen. De mensen hadden schepjes en versieringen gestolen. De mensen hadden van andermans graven gepakt wat ze zelf nodig hadden. Zelfs hadden ze een keer een visje van bladgoud gestolen. Mijn hart brak, zoals het een paar maanden geleden ook was gebroken. Tussen de miljoenen graven in de Beheshte-Zahra in Teheran lag het ene graf dat mij met de grond daar verbond. Mijn moeder legde niet eervol de bloemen neer op mijn opa’s graf, maar plukte ze kapot om ze op een hoopje erop te kunnen strooien. Dit was de enige manier waarop we ervan verzekerd waren dat ze op die plek bleven liggen. Wij hadden liever kapotte bloemen dan de wetenschap dat ze verdwijnen zouden, andere graven versierend, ander verdriet belichamend. Bij die graven was echter niet alleen sprake van diefstal; de bloemen werden doorverkocht. Op de terugreis aanschouwde ik jongens die langs de weg stonden met grote boeketten bloemen en bordjes met goedkope prijzen. Met mijn nagels in mijn handpalmen gedrukt bedacht ik me dat de dood zo lelijk kan zijn, terwijl we allemaal niets anders willen dan het rouwen mooi te laten zijn. De mensen ontnemen elkaar schoonheden. Ze vergeten elkaars verdriet de ruimte te geven.
“Snap jij het nou?” vroeg ze me met een stem vol van moedeloze verontwaardiging. “Nee”, antwoordde ik innerlijk verscheurd, “ik snap ook niet hoe de mensen in staat zijn om zulke dingen te doen.”
Ik weet dat ik hem los moet laten omdat de zon weer vaker en feller schijnen zal, maar dat wil ik nog niet. Gedurende de winter heb ik hem bijna elke nacht mogen omarmen; om dat nu op te geven is zo moeizaam en naar. Het klinkt absurd, maar momenteel is hij misschien het enige waar ik gegarandeerd genegenheid door voel. De constante warmte die geluid- en bewegingloos mijn lijf voedt maakt me rustig. Hij geeft een stukje zekerheid, een beetje vastigheid. Hij geeft me iets om te omarmen als ik ’s nachts in bed lig. Hij is verlichtend, maar ook heerlijk bezwarend tegelijk. Dus ik weet niet hoe het verder moet als ik hem kwijt raak, als ik hem niet meer uit kan staan omdat er geen warmtebronnen meer zijn, maar alles tot hitte geworden is. Tot die tijd kan ik mezelf honen omdat ik stukjes schrijf over een zieke en onbelangrijke gedachtegang. Het voelt alsof ik nog veel te koud van binnen ben en tot ik iets of iemand gevonden heb die me op kan warmen valt dit afscheid me zo zwaar.