Amelia was geboren op 15 augustus 1985 als derde dochter van Anna en Henk Hofstede. Toen ze vijf was, was ze haar moeder kwijtgeraakt in de Bijenkorf en was huilend een uur onder een kledingrek weggekropen. Haar oma was op haar twaalfde overleden en haar tante was alcoholist. Vijf jaar geleden had haar vader een auto-ongeluk gehad waardoor hij niet meer kon lopen. Maar daar gaat het hier allemaal helemaal niet om. De Geschiedenis die ertoe doet begon toen Amelia voor het eerst echt verliefd werd. Haar gevoelens voor Rick sprak ze echter nooit uit, omdat hij al met Linda had, en ze op dertienjarige leeftijd al genoeg kennis van de wereld bezat om bang te zijn voor afwijzing en schaamte. Na anderhalf jaar onbeantwoorde aanbidding werd ze het zat en accepteerde haar verlies even stil als haar liefde. Toen volgde er een periode van jeugdige relaties, die van haar kant een zekere naïeve toewijding bezaten, terwijl het voor de jongens eigenlijk alleen maar een spel was, een voorbereiding op latere liefdes. Pas toen de leeftijd voor seks aanbrak, ontspon ook haar lot, zoals haar dat jaren later nog steeds zou tekenen.
Haar Geschiedenis was bekend bij de mensen om haar heen. Ze dachten dat het als een zware last op haar moest drukken, dat het haar redenen gaf om geen geloof te hebben in de liefde. Maar iedereen wou haar gelukkig zien en zei haar niet op te geven. Vooral toen ze na anderhalf jaar ongebondenheid op haar vijfentwintigste Tobias leerde kennen, overstelpten ze haar met optimisme. ‘Ik hoop dat het dit keer beter gaat. Dat verdien je echt.’ Amelia knikte. ‘Gezien jouw Geschiedenis zou het fijn zijn als het dit keer echt wat werd, Melie’. Zij beaamde. ‘Volgens mij is hij heel anders dan de anderen’. Wat kon ze anders zeggen dan dat zij dat ook hoopte?
Het waren woorden die helemaal niet gezegd hadden hoeven worden. Want wat iedereen vergat te zien is hoe makkelijk zij verder ging. Ze had helemaal geen steun nodig gehad, niet die opbeurende gedachten. Ja, het was zo dat ze telkens rotervaringen achter de rug had. Ja, haar ene ex was zes keer vreemd gegaan. Ja, de andere had haar slechts als opvuller gebruikt in de periode dat het uit was met zijn vriendin. Ja, twee keer had ze gehoord dat het toch niets meer zou worden dan alleen maar een seksrelatie. Ja, ze was lastig gevallen door een oude man die haar onpasselijk had aangeraakt. Dat was inderdaad allemaal zo. Maar dat alles was voor haar geen reden om te denken zoals haar omgeving vermoedde: dat liefde niet bestond, of dat zij het probleem was en nooit meer kon worden dan een seksobject. Zij had elke liefde opnieuw een eerlijke kans willen geven, niet geremd door haar geschiedenis. Zij had onbevooroordeeld willen liefhebben zoals ze altijd al deed. Maar ze werd beperkt, gehinderd door het constante schetsen van haar Geschiedenis door haar vrienden en familieleden. Hun woorden overschreeuwden haar pogingen om haar verleden geen rol te laten spelen in haar handelingen van nu.
Haar geschiedenis nam daarmee ook voor haar een prominente plaats in terwijl het werkelijk niet ter zake deed. Tobias en zij lagen te praten in bed. Ze zei iets waaruit bleek dat ze dacht dat hij haar maar voor één ding wou. Haast geïrriteerd en vol onbegrip snauwde hij: ‘Hoe kun je dat nou denken? Dat is echt onzin. Wat heb ik dan gedaan dat jij denkt dat ik jou als niets meer dan een seksobject zie?’ Ze haalde haar schouders op. Verdrietig, angstig om zijn boosheid. Zijn verwijten, alsof haar irrationaliteit niets meer dan belachelijk was, deden haar pijn. Even was het stil voordat ze genoeg moed vond om voorzichtig naar de oorzaak te verwijzen: ‘Misschien is het omdat ik altijd al als een seksobject ben behandeld.’ Het tragische van dit moment was niet dat haar geschiedenis voor haar geen rol speelde terwijl ze die illusie nu wel wekte, maar dat het nooit een rol zou mogen spelen. Haar pogingen om zich los te koppelen van wat haar overkomen was waren te goed uitgewerkt, want hij kon haar ook niet anders zien. In zijn armen huilde ze. Niet omdat zij een Geschiedenis kende waardoor ze was getekend, maar omdat hij er nooit naar had gevraagd.
Het is hier nooit echt stil. Zelfs tussen de minieme momenten door dat ik niet mijn oren spits, hoor ik geruis of gesis. Maar dat zijn niet de ergste geluiden, want die zijn er altijd. Ik wacht op de onderbrekende klanken. Woonkamer, ik lig op de bank. Mijn ogen zijn dicht, maar natuurlijk slaap ik niet. Ik wacht. Een kleine knal. Ogen open. Wat was dat wat zou dat zijn? Het blijft stil, dan geschraap. Wat was dat wat zou dat zijn? Nogmaals, geschraap, of nee, dit keer meer gekraak. Ik ren naar de keuken, ogen wijd, adem snel. De deur van de kast moet op slot. Ramen dicht, want het geluid moet verdrongen. Of nee, ze moeten open, want ik wil geen demping. Dan weet ik minder. Natuurlijk luister ik nooit muziek. Ik praat nooit hardop. Ik roer met plastic lepeltjes. De tijd verstrijkt. Ik kom steeds weer liggen op de bank, al loop ik heen en weer naar de keuken, de voordeur, de slaapkamer, al ga ik rechtop zitten op de bank. Wat zijn die geluiden toch? Het maakt niet uit, het is al weg. Daar is iets weer, wat was dat? Slaapkamer. Niets te zien. Bank. Stil gaan zitten, geen geritsel van kleren – dat laat dingen ongehoord. Daar was een dichtslaande autodeur. Toch? Was het niet iets anders wat kan dat zijn geweest? Keuken. Man doet zijn autodeur op slot. Bank, liggen, bonk. Nu is er echt iets, dat kan niet anders. Keuken. Ja, mannen in oranje hesjes. Ze praten, ik wacht. Een apparaat wordt aangezet. Het zoemt, nee brult, nee ronkt. Als een boor die een oneindige muur te lijf gaat grijnst het geluid me toe. Het overheerst alles. Ik hoor mezelf niet lopen, niet neerploffen op de bank. Oh nee, wat nu? Ik hoor niets meer. Deze stilte is benauwend. Ik wacht, minutenlang, maar het blijft. Ik lijd, dit is pijn. Het martelt me evenveel als mijn eenzaamheid. Ik haat dat, haat mezelf dat ik het wegmaak. Haat dat ik denk. Stop deze gedachten! Geluid, ik wil geluid. Ik wil geen stiltes, hoor je dat, dat wil ik niet. Alles wil ik horen behalve deze klacht. Ik sla de tafel – niets. Ik schuif een stoel aan – niets. Ik gooi een boek neer – niets. Bonk met mijn hoofd tegen de muur. Gooi mijn hele lijf ertegenaan. Het helpt, nauwelijks. Ik maak muziek. Met elke bonk: ik – wil – geen – stilte – geef – me – geluid. Het geronk stopt, maar ik ga door. Ik ga door totdat ik echt niets meer hoor.
Mensen hebben me zo vaak verweten dat ik in een fantasiewereld leefde. Ik was te dromerig, te naïef. Ik moest reëler zijn, me niet vastklampen aan waanideeën, aan dingen die toch niet gebeuren zouden, of heel misschien, wie weet, op wonderbaarlijke wijze toch – maar hoogstwaarschijnlijk niet. Ik lachte dan, ik vond het prachtig. Ik zag hun waarschuwingen als jaloezie, hun nuchterheid als vlakte. Hoe saai kun je zijn? dacht ik dan. Hoe passieloos? Ik nam tenminste diepe sprongen, in gedachten. Over jou heb ik zoveel gefantaseerd. Ik heb elke mogelijke manier laten ontstaan om elkaar te ontmoeten, om verliefd te raken en uiteindelijk samen gelukkig te zijn. Jij hebt zoveel van mijn gedachten bezeten. Elk liefdesverhaal kon over ons zijn geschreven. Wij waren afwisselend een cliché en vervolgens een bizarre samenvoeging van mensen. Jij was eerst een gebroken man waarna ik je redde, of ik was een verbitterde eenzame en jij degene die mij bevrijdde. We waren zoveel dat we mijn hele hoofd meedogenloos vulden. Maar toen praatte je tegen mij. Waarom deed je dat? Waarom praatte jij? Tegen mij? Je dwong me om te reageren, met mijn mond, met mijn stem, met mijn gebaren. In de lucht die trilde stonden wij en plots praatten we. Het was niet meer ‘jij die me voorbij liep’ en ‘ik die jou nakeek’, maar ‘wij praatten’. Nu heb je het zoveel ingewikkelder gemaakt. Ik hield van je als fantasie, van wat er uiteindelijk van ons zou worden, maar ik sloeg zoveel stappen over. Ik negeerde de ongemakkelijke momenten, de banale woorden die we bij elke samenkomst zouden moeten spreken, de lange dagen dat ik jou niet zou zien. Al die dingen die twijfel opriepen, alles wat ons echte samenzijn uitstelde, waren te pijnlijk om aan te denken. Uit gemakszucht sneed ik, bracht een bijna levenslang verhaal terug tot enkele minuten. Nu moet ik elke echte minuut beleven, alle onzekerheden meemaken. Alles is zo teleurstellend, want niets kan alles wat ik dacht evenaren. (En dan die moordende gedachte: Wat als dit over is? Wat als we samen zijn? Is die ware droom wel te verdragen?) Ik haat jou omdat jij die paar zinnen tegen mij sprak. Nu zullen we verder moeten, want ik kan niet meer doen alsof we elkaar niet kennen. We zullen elkaar telkens aan moeten spreken, ons vorige gesprek voort moeten zetten. We zullen voorzichtig onze gegevens uitwisselen, ik zal dagenlang wachten op jouw sms’jes. Het zal nog weken duren voor we van verliefdheid mogen spreken. Deze geschiedenis is een marteling. En ik heb nergens om naartoe te vluchten. Mijn dagen en nachten zijn leeg. Ik moet de dingen hun beloop laten en mag er niet meer over fantaseren. Stampvoeten, dat mag ik. Het loopt helemaal niet zoals ik had bedacht.
Ze stond op met een onheilspellend gevoel en die leegte in haar buik. Haar hart klopte toen al net wat slagen harder, alsof er vandaag iets groots te gebeuren stond, en Linde voelde hoe een apart soort opwinding zich van haar meester maakte. Maar ze wist zeker dat in haar agenda op deze september de 28ste niets bijzonders stond; ze zou een dinsdagse routine volgen waarbij ze de hele dag verplichte colleges had, met als bijzonderheden daarnaast voor deze dag dat ze niet vergeten moest afwasmiddel te kopen. Verder waren er geen belangrijke dingen die haar aandacht nodig hadden, waren er geen bijzondere mensen jarig of moesten er mensen herdacht worden en eveneens was er een plek die ze per se vandaag nog bezoeken moest. En toch was ze ongerust, ervan overtuigd dat er iets zou gebeuren. Het gevoel bleef door haar lichaam stromen, bleef haar in zijn dwang houden. Het verplichtte haar te staren terwijl ze haar ontbijt klaarmaakte en haar kleren aandeed; dan stond ze even roerloos stil, van de wereld afgesloten, bezig met iets en toch zonder enige beweging. Dan staarde ze zonder ook maar iets te zien, om na een onbekende hoeveelheid seconden zich weer langzaam aan haar bezigheid te wijden. Het viel haar allemaal zelf niet op. Ze had niet door dat haar ochtendrituelen deze keer wat langer duurden, maar ervoer wel steeds die nervositeit in haar ledematen. Een stem in haar binnenste leek haar te zeggen: ‘Vandaag is de dag’, maar noch die stem, noch zijzelf wist waarvoor. Pas toen ze op de fiets zat bedacht ze het zich, wist ze het, alsof het iets was wat ze tot dan toe simpelweg vergeten was, iets wat op deze datum – deze vierentwintigste keer dat ze de achtentwintigste dag van september beleefde – gebeuren zou, maar wat nu pas in haar herinnering terugkwam. Terwijl ze haar dagelijkse route fietste overviel het besef haar en dit zou de enige keer die dag worden dat zij zich niet verroerde maar dat ze wel vooruit kwam. Pas toen haar wielen zo traag draaiden dat omvallen haast onvermijdelijk werd, liet ze haar benen weer werken en merkte tegelijkertijd dat het onheilspellende gevoel was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een soort van zekerheid om het besef dat ze vandaag zou sterven. Het stond toen al voor haar onontkoombaar vast; het zou onvermijdelijk de komende uren gebeuren. Ze voelde het even sterk als een van haar voorgevoelens, een bijzondere eigenschap die ze van haar oma had geërfd. Die had de gave bezeten om thuis te blijven op momenten dat het nodig was of juist om weg te gaan als haar gevoel dat ingaf, en het was door haar onfeilbare intuïtie geweest dat ze tegenover haar man had gezeten in hun woonkamer toen hij zijn laatste adem uitblies, in plaats van zich bij haar wekelijkse thee-uurtje met de overbuurvrouw te bevinden. Ook had oma Schouten meerdere malen verloren gewaande sieraden, boeken en papieren teruggevonden en haar dochter (Lindes tante) gewaarschuwd toen deze aankondigde met een hautaine bankier te gaan trouwen. Het advies werd echter niet opgevolgd en tante Ada beleefde inderdaad vijf ongelukkige jaren met een man die noch zijn rookverslaving, noch zijn buitenechtelijke avontuurtjes op wou geven voor zijn vrouw. Linde kon ook plots dingen aanvoelen zoals haar geliefde oma dat ook had gedaan en dat was niet de enige eigenschap die zij beiden deelden; dezelfde kalmte die Linde verlichtte, was ook kenmerkend geweest voor Hetty Schouten. Beiden bewogen ze zich eveneens met dezelfde zweverige passen en kenden een trots en eigenzinnigheid die nooit verward kon worden met arrogantie; ze hadden simpelweg nooit spijt van wat er in het verleden gebeurd was en waren daarom in staat om in vrede te leven met de loop die hun levens zouden nemen. Het was ook daarom dat Linde niet in paniek raakte na het denken van die afschuwelijke gedachte. Niet dat ze ooit echt paniek gekend had, maar zelfs deze zekerheid van het einde kon haar niet tot onrechtvaardigheden in haar stabiele denken bewegen.
Gedurende de dag deed ze wat ze doen moest. Ze besefte niet de nutteloosheid van het nemen van college-aantekeningen of het kopen van een nieuwe fles afwasmiddel op deze dag, of misschien besefte ze het zich ook wel, maar had ze al een minuut nadat ze haar lot die dag had vastgesteld op de fiets met zichzelf afgesproken dat ze niets afwijkends doen zou vandaag. Ze zou leven zoals ze altijd had gedaan en zien wat haar zou overkomen. Met een zekere laconiekheid, een in overpeinzingen verdronken roes, liet ze daarom deze laatste dag haar meevoeren. Maar ze was niet bang of wanhopig; ze zag geen onheil in de dagelijkse gebeurtenissen, dacht niet bij het oversteken dat een auto haar nu zou scheppen, liep niet over bruggen met het angstwekkende idee dat die ineen zouden storten, voelde haar hart niet in een laatste doodsstrijd kloppen als ze vliegtuigen laag over hoorde vliegen en bij geen een handeling die ze uitvoerde dacht ze: ‘Dit is de laatste keer dat ik dit doe’. Nee, ze was zozeer bevangen door haar gedachten over haar leven dat ze vergat te denken aan het moment en de wijze van haar dood, dat toch wel naderbij moest komen. De enige gedachte met betrekking tot haar einde die ze wél had, kon direct gelinkt worden aan die afschuwelijke leegte in haar buik. Ze zag dat gevoel echter helemaal niet als de kwaal waaraan ze zou sterven, maar wou wel graag van de pijn en de vragen erover verlost zijn voordat ze niet meer leven zou. Met behulp van haar sterk analytisch vermogen bestudeerde ze zichzelf en constateerde dat het een gemis was. Deze hapering in haar ingewanden kon niets anders zijn dan het niet hebben van datgene waar ze naar verlangde. En terwijl ze terugdook in haar herinneringen, de dood van haar oma oprakelde, pijnlijke jeugdherinneringen herbeleefde en schaamtevolle scènes herinnerde, bedacht ze zich dat het een gemis aan liefde moest zijn. Niemand had ooit van haar gehouden. Natuurlijk had ze wel liefde gekend, maar dat was voornamelijk de vanzelfsprekendheid van familiale koestering en genegenheid geweest – nooit was ze echt liefgehouden. Nooit was er iemand geweest die de onherroepelijke woorden tussen twee toevallige geliefden tegen haar had gezegd. Ze was wel vastgehouden, vaak genoeg, maar niet een keer was ze innig omarmd. Ze was wel door mannenhanden gestreeld, maar nooit was ze geliefkoosd. Ze had talloze malen seks gehad, maar geen een keer had ze de liefde bedreven. Er was wel naar haar verlangd, maar nooit was zij oprecht gemist. Terwijl deze gedachten door haar hoofd gingen, voelde zij het gat in haar lichaam groter worden. Met stekende kreten trok het haar ingewanden tegelijkertijd uiteen en in elkaar, waardoor ze haar handen op haar buik moest leggen om wat verlichting aan haar beurse innerlijk te verlenen. Tegelijkertijd dacht ze aan alle keren dat zij had gehouden van en dat waren er zoveel geweest. Ze had haar hart en alles wat ze nog meer te bieden had elke keer weer opengesteld, elke keer weer weggegeven. Zij had zonder voorwaarden van elke man die haar had gestreeld, omarmd of gekust gehouden. Niet door naïviteit, maar door een overtuiging om alles te geven, kon ze zeggen dat ze echt van hen gehouden had. Nu deed het haar pijn dood te gaan met dat gemis, maar het was geen verbittering wat ze voelde. Ze erkende het feit dat zij gehouden had van, maar dat niemand van haar had gehouden, maar moest tegelijkertijd aan haar oma denken, die eens had gezegd: ‘Alles wat je weggeeft, krijg je nooit meer terug. Dat wil alleen maar zeggen dat wat jij van anderen krijgt alles is wat je zelf niet hebt.’ Toen herinnerde ze zich een andere zin, die zij eveneens aan haar oma toeschreef, maar die ook best uit een boek had kunnen komen, namelijk dat er geen grotere glorie is dan te sterven uit liefde. Haar optimistische natuur eigen, werd ze bevangen door de troost van de rechtvaardiging. Ze bedacht zich dat het misschien erger was te sterven voordat je echt had liefgehad dan te sterven zonder te zijn liefgehouden. Als je had gegeven wat je had, grenzeloos en passievol, was doodgaan wellicht minder pijnvol dan voortdurend te hebben ontvangen.
Constant tobbend vergleed zo de dag voor haar. Doordat ze alsmaar in gedachten was verzonken, vergat ze dat ze alweer vier colleges had gevolgd, drie maaltijden had gegeten, zeven mailtjes had beantwoord en onder andere een fles afwasmiddel had gekocht, maar nog steeds niet was gestorven. De dag was voorbij gegaan zonder dat haar voorgevoel uit was gekomen en het opmerkelijke was dat zij hier zelf niet bij stil stond. Pas toen ze bijna in slaap viel – nog steeds door haar gedachten over de zinvolheid van haar leven geplaagd – kwam ze tot de ontdekking dat ze nog leefde. Vlak voordat haar lichaam haar meenam naar het piekerloze centrum van de slaap, dacht ze dat het misschien dan vannacht moest gebeuren, waarbij ze van de tijdelijke vergetelheid in de definitieve zou verglijden. Maar die nacht stierf ze niet en ook niet de dag erop of in de weken die volgden. Dus concludeerde zij – geheel onterecht – dat ze kennelijk nog niet genoeg gegeven had. Alsof haar levensdoel eruit bestond haar hart leeg te wringen, had ze vanaf toen meer lief dan ze ooit had gehad.
Mevrouw Hubeek zat op haar favoriete stoel aan de keukentafel met een sigaret in haar ene hand en een rekening in de andere. Terwijl ze zenuwachtig een paar slokjes van haar koffie nam, legde ze de rekening op een stapel papier. Ze mompelde wat in zichzelf en bewoog haar kopje weer terug naar het schoteltje, maar niet voordat ze het papieren onderleggertje met bloemetjespatroon weer rechtgezet had. Vervolgens wandelde ze even heen en weer naar de woonkamer, ondertussen vergetend wat ze van plan was daar te doen. De sigarettenrook volgde haar, terwijl Tupac de kat haar tegemoet kwam. Samen gingen ze weer terug naar de keukentafel – zij waggelend met haar logge lijf en hij sierlijk en arrogant trippelend.
Mevrouw Hubeek liep naar de trap. Met haar roodgelakte nagels trok ze haar pyamashirt weer recht over haar grote borsten en krabde daarna even aan haar rug. Toen ze haar bed bereikte was ze al vijf spiegels gepasseerd, maar in geen van allen had ze een blik geworpen. Niet uit angst, maar uit onverschilligheid. Ze wist toch wel wat erin te zien zou zijn. Gelukkig had ze nog foto’s uit oude tijden toen ze nog gewild was en geen medicijnen slikte. Foto’s waar ze vol nostalgie naar kon kijken. De foto’s van haar dochter (zestien op de keukentafel, vijf op het fotolijstje voor de spiegel in de hal en elf in de woonkamer) bekeek ze echter veel vaker.
Ze zat even op de rand van het bed, rookte haar sigaret op en strompelde weer naar beneden. Deze keer krabde ze zichzelf op haar hoofd en voelde hoe haar stugge, roodbruine haar zich langs haar vingers schuurde. Vandaag zou ze het weer moeten wassen. Voor de zoveelste keer bij de keukentafel aangekomen pakte ze nogmaals de rekening op. Haar oog viel op de rekening daaronder waar ze eergisteren zo van was geschrokken. Een bedrag dat even groot was als haar maandelijkse uitkering zou zij over moeten maken naar een of ander bedrijf voor iets met haar telefoon waar ze helemaal geen gebruik van had gemaakt. ‘Mooi niet dat ik dat ga doen!’, had ze toen gedacht. Dat had ze toen ook aan de vrouw gezegd die de telefoon had opgenomen. ‘Mooi niet dat ik dat ga betalen! Jullie zoeken het maar uit!’ en toen had ze opgehangen.
Natuurlijk zat ze er gisteren nog over in de stress, maar opeens was daar een reddende engel verschenen. Het Marokkaanse meisje van de thuiszorg had haar geholpen toen mevrouw Hubeek het verhaal uitvoerig had verteld. Hayat had het bedrijf gebeld, een e-mail of zoiets gestuurd en haar gezegd dat het goed zou komen. De lieve schat had zoveel moeite voor haar gedaan. En mevrouw Hubeek had met haar Amsterdamse accent verzucht: ‘Jullie generatie is zo mondig geworden. Jullie komen echt op voor je eigen. Ik heb alleen maar een grote bek.’
Ze zei die zinnen opnieuw hardop en beleefde de behulpzaamheid van het meisje opnieuw. Even verzonk ze in gedachten, moest denken aan de Marokkaanse vriendinnetjes van haar dochter. Die waren ook zo mondig. Evenals haar dochter. Mevrouw Hubeek was daar stiekem trots op.
Deze gedachten vervoerden haar voor een klein minuutje naar een serene staat, maar toen moest ze alweer denken aan Marokkaanse jongens. Die waren alleen maar uit op stoerdoenerij. Ze moest eraan denken dat een ervan haar dochter de dood in had gejaagd, te hard rijdend met zijn net verworven rijbewijs.
Ze stak nog een sigaret op en keek naar een van de foto’s van Amy op de keukentafel. Deze waren allemaal genomen in de laatste maanden voor haar dood en toonden een mooi pubermeisje met een brutale glinstering in haar blauwe ogen. Het gelige licht van de schemerlamp viel precies zo dat mevrouw Hubeek haar eigen gezicht in dat van haar dochter weerspiegeld zag.
Niemand had ze over hem verteld. Al vier maanden lang haalde ze onverschillig haar schouders op als iemand haar vroeg hoe het ging in de liefde. Ze deed alsof er niets gebeurde, alsof haar dagen leeg en passieloos waren, terwijl ze zich ondertussen elke week een paar nachten in zijn armen nestelde. Ze wou het best vertellen aan degenen die haar erover vroegen, maar nog liever wou ze voorzichtig zijn. Ze kende de gevaren nou eenmaal te goed, ze wist wat er ging komen. Ze wist dat het eens uit zou gaan en welke gebeurtenissen er dan in gang zouden worden gezet. De gesprekken over dat het waarschijnlijk toch niets had kunnen worden, dat hij toch niet goed genoeg voor haar was, die wilde ze niet meer voeren. De slappe praatjes over dat er meer vissen in de zee zijn, dat ze niet verdrietig hoefde te zijn, die wilde ze niet meer horen. De zogenaamde bemoedigingen dat ze vast weer snel iemand zou vinden, dat het goed was dat ze voor zichzelf had gekozen, die wilde ze niet meer beamen. Na vijf maanden haar liefde opgehemeld te hebben, was kennelijk de tijd aangebroken om hem af te kraken. Dat wilde ze allemaal niet meer. Wat haatte ze die gesprekken, want die waren respectloos en pijnlijk. Het was oneerlijk om zowel haar als haar ex te beledigen door zoveel slechte dingen over hem te zeggen. Ze wou niet horen dat hij toch nooit goed voor haar was geweest of dat ze toch niet bij elkaar pasten – dat impliceerde dat zij een slecht beoordelingsvermogen had en belachelijke keuzes maakte. Terwijl ze toch elke keer weer vol overgave liefhad. Ze had hen lief die het verdienden en ze ging nooit weg tot ze er zeker van was dat ze voldoende aan hen gegeven had. En als ze eenmaal besloten had dat het genoeg was, dan leefde ze in vrede. Ze was kalm over haar besluit en ging verder met haar leven. Althans, zo zou het gegaan zijn als niet telkens haar omgeving haar belemmerde. Volgens al die mensen moest ze vast verdrietig zijn om weer een liefde die was stukgegaan. Ze had vast troost nodig en de troost die zij haar konden bieden zat in nare woorden, zat in vuilsprekerij. Dus werd haar gezegd dat hij egoïstisch en onachtzaam geweest was, dat ze veel beter af was zonder hem en ze zou nu vast zien dat ze gelukkiger werd. Maar al die mensen schenen niet te snappen dat zij tevreden was over haar besluit en niet eens troost nodig had. Ze had gehandeld zoals zij alleen kon handelen: ze had gegeven en toen ze niet meer nodig was, greep ze die reden aan om weg te gaan. Zo sereen en uitgedacht waren haar ideeën, maar de anderen beïnvloedden haar zodanig dat de vuile, onware woorden ook uit haar mond begonnen te komen. Door hen wankelde haar geloof. Dus dit keer had ze besloten het anders te doen en zweeg ze. Hij bestond in feite niet. In ieder geval niet in de wereld van de mensen om haar heen. Wel in de hare uiteraard, al was zijn plek fysiek gezien geringer dan hij dacht. Maar hij had dan ook niet door hoe ze zijn aanwezigheid op alle mogelijke manieren probeerde te beperken. Het liefste ging zij naar hem toe, het liefste nam ze geen cadeautjes van hem aan en het liefste vermeed ze elke mogelijke interactie tussen hem en haar vrienden. Ze had zijn telefoonnummer uit haar hoofd geleerd en toetste dat elke keer in – er was geen contactpersoon in haar telefoon met zijn naam. Zijn sms’jes wiste ze meteen en de kaartjes van alle bioscoopbezoeken gooide ze gelijk in de prullenbak. Toch had ze niet minder lief dan anders. Ze zei hem hoeveel ze om hem gaf, dat ze zich zo zorgeloos en vrij voelde als ze bij hem was en dat ze hem miste als ze van zijn huis wegging. Ze luisterde naar zijn verhalen, hoorde zijn onzekerheden aan en probeerde er voor hem te zijn als hij iets nodig had. Ze liet zich ’s nachts innig omhelzen, al kon ze soms niet slapen door de geringe bewegingsvrijheid, maar hij had er nou eenmaal behoefte aan om zich vast te klampen aan haar. En als ze bij hem was, voelde ze zich beter dan ooit. Zo ging zelfs de zesde maand voorbij zonder dat ze de rigoureuze beslissing maakte. Ze schreef het toe aan haar zwijgen en haar ontkenning van de liefde, concludeerde dat het daarom deze keer zoveel langer duurde. En het ging door, ze hielden vol, tot hij langzaamaan begon door te dringen in de wereld van de mensen om haar heen: bijna was ze met hem bekenden tegengekomen en bijna was ze ontdekt door een t-shirt dat hij bij haar vergeten was. Bijna verraadde ze zichzelf toen ze stilviel nadat hij zei dat hij graag haar vrienden zou ontmoeten. In paniek gebracht zag ze haar geconstrueerde werkelijkheid bijna in elkaar storten, dus ze greep terug op haar enige zekerheid en verliet hem. Ze maakte het uit en wilde hem nooit meer zien. Maar haar kalmte hervond ze niet.
Al haar vriendinnen vond ze gek; ze waren irrationeel en onredelijk. Ze kon zien waar zij faalden en was vastbesloten zelf niet in hun valkuilen te trappen. Zij geloofden in iets waar ze constant bevestiging voor zochten. Ze had het nooit kunnen begrijpen: hoe blind ze werden, hoe ze plots dingen verzonnen, onbeschaamd en ongeremd. Het maakte haar zelfs een beetje bang dat zij zo ondoordacht konden denken, dat mensen zo konden zijn. “Hij had een ring voor me gekocht!” had er één een keer geroepen. Extatisch stak ze vervolgens haar hand uit, om het bewijs te tonen. Een ander had eens opgeschept: “Vorige week zei hij zijn voetbalavondje af om bij mij te zijn.” Weer een ander was wat subtieler, liet zich in bijzinnen ontvallen hoe haar vriend altijd attent vroeg hoe haar tentamens gingen, hoe ze troost bij hem vond toen haar oma overleed en hoe hij elke week bloemen voor haar meebracht. Zij zag hoe de anderen allemaal een gedachte hadden waar ze bevestiging voor zochten, zodat ze uit konden roepen: “Hij houdt van me en dit is het bewijs!”
Zo was zij niet. Zij zocht juist naar weerleggingen van de meest negatieve aanname die ze verzinnen kon. Hij houdt niet van me, was wat ze altijd dacht. Hij hoeft me niet. Ik snap niet waarom hij bij mij wil zijn, want redenen heeft hij niet.
Vervolgens ging ze haar aanname toetsen, zoekend naar bewijzen om het tegendeel aan te kunnen tonen. Dan deed ze de meest gekke dingen, in de hoop haar eigen gedachten te ontkrachten. Zo had ze een keer expres de laatste trein gemist, te langzaam naar het station lopend. Laconiek zag ze hoe hij wegreed, haar achterlatend en haar het excuus gevend van het uitvoeren van haar test. Want ze moest nu iemand bellen, iemand die haar thuis zou kunnen brengen. Gespeeld verslagen belde ze hem toen huilend op, waarop hij bezorgd vroeg wat er aan de hand was. Vervolgens kwam hij ongekend snel aanrijden en lag ze ’s nachts in zijn armen, glunderend van euforie, omdat ze haar assumptie hiermee weerlegd had. Het bleek onhoudbaar, niet waar. Hij moest wel van haar houden. Maar haar geluk duurde nooit lang, want ze kon alles relativeren, alles als nietsbetekenend voor doen laten komen. Dan dacht ze: “Ik weet dat hij niet ongevoelig is, maar medelevend en sympathiek. Hij zou nooit iemand in de kou laten staan. Hij heeft me niet opgehaald omdat ik het was. Hij deed het niet omdat hij van mij houdt, maar simpelweg uit naastenliefde”. Dus verzon ze weer iets nieuws. Dan maakte ze een belangrijke brief zoek, wachtte totdat hij al drie uur in slaap was, schudde hem dan wakker en vertelde over haar verlies en hoe ze daarom niet slapen kon. Samen zochten ze er toen naar, hij slaapdronken, maar wel in staat om haar te troosten. Of ze sneed in haar armen, net zolang tot het ging bloeden en de wonden en littekens niet te ontkennen waren. Dan zag hij ze, maar hij kuste ze, verzekerde haar ervan dat hij haar daarom echt niet zou verlaten. Steeds kon ze haar aanname verwerpen. Om toch maar te besluiten dat het niet genoeg was, dat de falsificatie niet afdoende en te arbitrair was. Zo beklemde ze zichzelf, bemoeilijkte ze het zich om van iemand te houden en van zich te laten houden. Haar stelling kon nou eenmaal nooit worden weerlegd. Totdat hij haar op een keer toefluisterde dat hij van haar hield en haar oprecht aankeek, want als hij ergens in geloofde, deed hij dat zonder enig twijfel. Plots ervoer ze hierdoor diezelfde euforie, maar nu ongepland; ze had er zelf geen moeite voor hoeven doen. Maar ook toen hield het gevoel niet lang stand, want welke waarheid dragen woorden? Al veranderde zijn uitspraak wel iets in haar. Ze zag in dat haar axioma wel eens de verkeerde zou kunnen zijn. Dus ze ging met zichzelf in beraad en besloot het om te draaien en vanaf nu het tegenovergestelde aan te nemen. Ze begon erin te geloven dat hij wél van haar hield. Maar ze had haar methoden niet veranderd: ze zocht nog steeds naar weerlegging. Ze pijnigde hem, zocht de grens op, om hem te toetsen; om te kunnen besluiten of hij van haar hield moest ze er alles aan doen haar nieuwe aanname te ontkrachten. Als alles dan gedaan was en de assumptie hield nog steeds stand omdat hij bij haar was, wist ze dat ze het bewezen had. Dan hield hij echt van haar. Dus ze liet hem voortaan een uur op haar wachten. Ze draaide zich weg als hij ’s nachts in bed tegen haar aanschuurde, al was haar verlangen even groot. Ze gooide wijn over zijn laptop en zei niet eens sorry. Ze zei dat ze zijn beste vriend haatte. Ze ging zo ver door dat ze de vraag of zij wel van hem hield helemaal vergat. Maar hij verliet haar nooit en zij kreeg nooit genoeg, dacht nooit: “Nu heb ik alles geprobeerd, maar hij is nog steeds bij me”. Ze bleef maar wachten op het moment dat hij zou zeggen: “Vanaf nu hou ik niet meer van je”.
In de galerij staan zestien stoelen, elk voorzien van drooghelmen zoals je die bij kappers aantreft. De muren zijn in pastelkleuren geschilderd en voorzien van borden met informatie over de dromers en de dromen. De bezoekers kiezen een stoel uit, plaatsen de helm op hun hoofd en even later staan ze weer op, verzadigd van een nooit eerder bedenkbare ervaring. Twee vrouwen lopen naar de koffiebar, terwijl de een lachend zegt: “Ik had ook het gevoel totaal naakt te zijn!’ en de ander dat grinnikend beaamt. Een jong meisje staat met grote, angstige ogen op uit een stoel aan de andere kant van de zaal.
In kunstgalerij ‘De ontvreemding’ vertelt de eigenares Marijn Franssen enthousiast hoe ze op het idee van een droomtentoonstelling kwam. “Mijn vader werkt als onderzoeker op het gebied van de neuropsychologie en was een van de eersten die werkte met de oneiroscoop. Via hem kwam ik er steeds meer over te weten en op een gegeven moment besloot ik er een kunstvorm van te maken! Want het kunnen ‘lezen’ van iemands dromen heeft volgens mij niet alleen wetenschappelijk nut; zoals elke andere kunstvorm kan het anderen raken, ze bewegen of inspireren.” De oneiroscoop is een apparaat dat de hersenactiviteit die optreedt tijdens dromen kan registreren en opslaan. Door middel van ‘pads’ die op verschillende plekken op het hoofd zijn geplaatst, worden de signalen doorgestuurd naar het apparaat dat ze vervolgens om kan zetten in herbruikbare beelden. Die opgenomen beelden kunnen dus opnieuw afgespeeld worden met behulp van diezelfde ‘pads’, die bij iedereen (en dus niet alleen degene van wie de droom gelezen is) aangesloten kunnen worden. De droom verschijnt dan niet op een beeldscherm, maar in gedachten, alsof het beelden zijn die de kijker zelf heeft gedroomd. Zo kan andermans droom dus aan ieder ander getoond worden als ware het zijn of haar eigen droom. In de wetenschap gebruikt men de oneiroscoop om meer te weten te komen over dromen en de daaraan verwante processen. Vragen als ‘Droomt iedereen hetzelfde?’, ‘Waarom worden dromen niet onthouden?’ en ‘In hoeverre zijn dromen te sturen?’ kunnen hopelijk met deze techniek beantwoord worden.
Marijn heeft deze boeiende uitvinding echter gebruikt voor haar tentoonstelling ‘Neem me mee’, waar ze de dromen van acht vrijwilligers gedurende één nacht heeft opgenomen en die ze aan de bezoeker toont. Achter de stoelen hangen borden, voorzien van informatie over wiens droom je gaat zien en wat voor droom het zijn zal.
‘Sarah is een 24-jarige student Frans’, staat er op een van de borden. ‘Ze heeft een vriend, woont in een studentenhuis met vier andere meisjes en in haar vrije tijd wandelt ze graag en veel. Haar droom heeft ze al vanaf haar zesde; eens in de zoveel tijd komt hij terug en zorgt telkens voor een ietwat beangstigend gevoel. Zelf zegt ze erover: “Het is niet een fijne droom, maar ook weer niet een verschrikkelijke nachtmerrie...”’ Boven de tekst staat de titel van de droom: Verlatingsangst. Bij het opzetten van de helm worden je ogen totaal bedekt door duisternis. Eerst klinken de instructies: “Op de rechterarmleuning bevindt zich een knop. Als u wilt dat de droom begint, kunt u daarop drukken. Mocht u tussentijds uit de droom willen stappen, drukt u dan nogmaals op de knop. De droom zal dan gestopt worden. Wij wensen u een prettige beleving.” Het indrukken van de knop verandert eerst niets aan de duisternis. Dan zie je plots voor je een pop, je handen die het aan lijken te raken, je knieën op het blauwe tapijt. Je zingt, al hoor je niets, maar je weet dat je zingt. Het wordt weer zwart. Je staat. Pop in hand, blauw onder voeten. Je loopt door zwartheid, maar ergens is er nog blauw. Licht van achter. Deur. Klink. Open. Door je eigen hand. Wit, hal, wazige schoenen, trap. Onder je, een figuur die je niet herkent. Je roept: ‘Pap!’, ziet zijn gezicht: snor, mond die lacht, ogen die even twinkelen. Dan zie je jezelf van voren, zoals je op de trap moet staan. Roze jurk, blote voeten, handen uitgestrekt en leeg. Je verzet je rechtervoet. Dan zie je weer vanuit jezelf. Je ziet je voet die hangt, misstapt. Je valt en al voel je niets, je valt. Lang, treden, muren, leuning, je valt. Je schreeuwt, al hoor je niets, je valt. Donker. Duisternis, geen geluid. De stem in je oor: “De droom is nu afgelopen. U kunt de droomhelm van uw hoofd halen.” Wankel, zoals de andere bezoekers, sta je op. Je hebt het gevoel geslapen te hebben, maar onrustig, ongewild naar. En toch wil je meer. Dus gelukkig is daar de bizarre droom van Edwin (ruzie met vrouw, marshmellows, zwembad in de kelder), de mooie droom van Alina (jongen die haar hand vastpakt, meeneemt naar de sauna waar ze de roze gordijnen bespreken) en de droom-die-iedereen-wel-kent van Madelon (naakt tussen je klasgenoten staan).
Marijn hoopt dat nog meer mensen hun dromen gaan delen: “Het is zoiets moois, zoiets puurs om zoiets intiems te delen met anderen. Dat maakt het zo bijzonder. Zoiets is nog nooit eerder vertoond, nog nooit eerder gedaan, dus dit is zo nieuw, zo uniek!” De bezoekers noemt ze belevers, want ze zijn geen lezers, geen luisteraars, geen kijkers – zelfs geen dromers. Ze zien iemands dromen in gedachten, alsof hun eigen hersenen hun die beelden doorsturen. Je lijkt echt even iemand anders, al zit je nog in hetzelfde lichaam en heb je nog dezelfde geest. Maar een stukje van iemand anders zit dan even in jou. Anton Boonsma, beroepsfilosoof, heeft zijn twijfels over deze laatste technologische en artistieke ontwikkelingen: “Ik vind het niet ethisch iemand anders dromen zo te tentoonstellen, al hebben zij er zelf voor gekozen. Want waar stopt onze privacy als onze dromen zelfs publiekelijk gemaakt kunnen worden? Wat is er nog van ons en van ons alleen? Hoe ver kunnen we nog gaan? En dan heb ik het nog niet eens gehad over de schade die het vertonen van dromen kan veroorzaken, zowel voor de dromers zelf als voor de bezoekers. Beide groepen kunnen getraumatiseerd raken door het blootstellen van respectievelijk iets onbewust en privaats, en het te zien krijgen van zoiets oncontroleerbaars.” Marijn lacht het weg: “Dit is zó een unieke ervaring! Dit is een beleving zoals je nog nooit meegemaakt hebt! Dat maakt het het bezoeken van de tentoonstelling meer dan waard!”