Dezelfde hemel boven ons, onze muren zijn gelijk De lente omarmt ons allebei Maar onze harten – twee Onze handen – uiteen Ons gehuil hangt in ons keel Ons gelach is zonder geluid.
Ik kan niet, ik kan jou niet begrijpen Al delen we dezelfde nachten Dezelfde pijnen die ons huis bevolken verjagen ons, maar niet van elkaar vandaan Schreeuw mij eruit Laat mij hier gaan
Een van ons zal moeten praten
Je loog toen je me vertelde waar je geweest was, toen je zei hoe je je voelde, toen je een reden gaf. Maar we deden beiden alsof er niets was. Er was echt niks aan de hand. We zijn zo ver doorgegaan dat het zonder liegen niet meer lukt. Ik weet alleen maar dat ik je niet geloven moet, dat is het enige wat ik zeker weet. Ik verlies mijn realiteitszin, ik verlies wat ik als de waarheid zie. En de enige aan wie ik het vragen kan ben jij, degene die niet de waarheid spreekt. Jij bedenkt de regels, jij stelt de voorwaarden op, aan jouw eisen zullen we voldoen. In jouw wereld zullen we leven, daar waar jij alles bepaalt. Het is goed, het is ok. Hou me hier of laat me gaan.
We leggen beiden afstanden af, we verplaatsen ons allebei. Onze voeten blijven lopen, onze horizonnen zich verbreden. We komen langs velden, bossen, steken rivieren over, bekijken wolken en zonnestralen. De grond rolt onder onze voeten, de tijd verzet zich en de rest staat stil.
Maar ik adem nooit dezelfde lucht als jij. Ik een vis, jij een vogel. Ik een dove, jij het geluid. Jouw lijf: gemaakt uit hemels zand, dat van mij uit zonde. Als jij de aarde bent, volg ik de cirkel van de maan.
Ik, achter jou aan, blootvoets, oud en moe. Jij, kijkt nooit om, fiere stappen, diep en groot.
En het is niet dat ik niet harder kan of dat jij zachter moet gaan of dat we gebaande wegen in moeten slaan of dat jij wachten zou; het is ons lot dat ik achter jou aan blootvoets leeg en doods. Terwijl jij nooit kijkt hoe je stappen zich verzetten, profileerden in de grond.
Vertel me je bestemming – ik geraak er toch nooit.
Ik had gelopen. Ik had geknarst. De grond mijn gewicht gegeven. Ik had mijn voeten meegedragen. De sporen liet ik achter.
Zo vaak heb ik er gelopen, maar me herinneren of het pad ooit zo uitgestorven wit geweest was kon ik niet. Er hadden mensen geweest kunnen zijn, maar sporadisch waren sporen te zien. Verder was ik de eerste, de enige. Dan was er voor me een leegte en achter me ook, opgevuld met mijn schim die me achterna zat.
Maar mijn stappen deden ertoe, want een kwartier later liep zij daar. Ze zag mijn sporen, ze herkende mijn profiel. Ze koos mijn route, gelijk aan die van haar. Ze had me nooit nodig gehad. Maar mocht ze het niet weten, dan had ze mij kunnen volgen. Ik had de leegte beschreven en zij was de enige die het lezen kon. Ze ontcijferde mijn boodschap; ze wist dat ik daar had gelopen. Ze las, al wist ze wat er geschreven stond.