Ze keek me niet aan toen ik via de galerij op haar afstapte. Ik begreep het meteen. ‘Ben je bang voor honden?’ vroeg ze me. Er valt niets te vrezen, dat weet ik. Maar toch: ‘Alleen als ze heel groot zijn.’ ‘Hm, ja... Het is een blindegeleidehond.’ Ik bemiddelde: ‘Die zijn meestal heel lief’ en was blij om eens niet te horen dat hij of zij echt niets doet hoor. De hond overweldigde me. Ze sprong tegen me op, kwispelde, draalde, hijgde, ze snuffelde en sprong weer. In het kleine halletje staande dansten wij terwijl de vrouw ‘laag’ riep. De hond luisterde, maar kende haar baasje te goed: stiekem, stilletjes begon ze toch weer tegen me op te kruipen. Thee werd ongezien voor me ingeschonken, terwijl ik werd opgeslokt door de omarmingen van de hond, die me nog steeds zo enthousiast ontving dat ik me gevleid begon te voelen. We dronken thee en praatten, ik observeerde. Een vreemde gedachte kwam in me op: dat ik alles kon doen wat ik wilde, ongemerkt. Ik kon mijn tong uitsteken, mijn nagels bestuderen terwijl ik met haar converseerde of het schoonmaakwerk lusteloos doen. Maar ik wist al dat ik niets anders zou doen dan ik altijd al deed. Terwijl ik praatte keek ik haar aan, ik lachte, veranderde van gezichtsuitdrukkingen. Ik maakte spiegels schoon, ik zoog in alle hoeken. Ik complimenteerde haar over haar gordijnen, ik duwde een onder een kast gevallen papiertje in haar handen. Ik volgde haar vinger naar foto’s van haar eerdere vier honden, ik verplaatste beeldjes om eronder te kunnen afstoffen. Niet uit medelijden deed ik dit alles, niet omdat deze vrouw dit niet kon. Niet omdat ze het niet verdiende om verwaarloosd te worden, niet omdat zij juist een betere behandeling verdiende dan anderen. Niet omdat ik met tranen in mijn ogen had gestaan omdat zij mij als enige onbevooroordeeld had toegesproken; ze had gedacht dat ik een Nederlandse was met blonde haren. Niet omdat zij mij door haar handicap wel moest vertrouwen, terwijl ik zo makkelijk had kunnen stelen, liegen of bedriegen. Niet om dit alles. Ik deed het zoals altijd uit een soort van liefde. Zij was niet anders dan alle anderen, zij had ook simpelweg geleefd. En in haar zag ik wat ik vaker zag: een wil. Ik weet niet naar wat, dat doet er ook niet toe, want het is anders, bij iedereen. Maar deze mensen zijn niet hetzelfde als de apathische soort, zij die verzuurd zijn, verbitterd. Het leven heeft hen niet gegeven wat ze vroegen (omdat ze niet tevreden waren met wat ze kregen), dus nu willen ze alleen maar hun ontevredenheid uiten. Zij zijn de ergsten, mijn verschrikkingen. Maar ook bij hen ben ik dezelfde; ik ga altijd op zoek naar een sprankje leven. Door mijn glimlach heen ben ik wanhopig zoekende naar hun wil, hoop het beetje eruit te kunnen trekken. Oh, ik ben soms zo vervelend naïef. En veel te gevoelig. Ik had medelijden met de hond. Ik schaam me voor mijn gedachten, voor mijn vochtige ogen op dit soort momenten, maar ik kon het niet aanzien hoe ze me aankeek met een knuffel in haar bek. En stomme ik, ik kan niet met honden spelen. Zelfs niet toen het me duidelijk werd dat de hond zo aandrong omdat de oude vrouw niet met haar kon spelen. De eenzaamheid van de hond, vermengd met de toewijding jegens haar baasje, raakte me. De vrouw had ongelukkig kunnen zijn, maar koos ervoor te willen leven. De hond had niets te willen, maar gaf de vrouw toch alles, alle liefde die ze in zich had.
Nee, ik weet nog steeds niet waarvoor ik zou willen leven.
Het heeft lang genoeg geduurd. Ik heb genoeg te doen, genoeg boeken te lezen, genoeg uren te werken, genoeg woorden te schrijven, maar ik verveel me. Ik mis een soort van echte diepgang. Het kriebelde al weken geleden toen ik mijn boeken uit de verhuisdozen pakte. Aan zoveel kleeft een herinnering die wetenschappelijk is bezwaard. De wereld als markt en strijd – met al zijn ezelsoren een toonbeeld van mijn werkwijze: alles wat mooi is of wat ik denk te kunnen gebruiken heb ik vastgevouwen. Watchmen – door zijn exclusieve vorm (een graphic novel, zoals dat zo mooi heet) een uitzondering, maar daardoor ook verrijkend. Tongkat, De naam van de vader, Ulysses, en zo kan ik een tijdje doorgaan. Boeken die ik afgelopen jaar niet gelezen zou hebben als ik niet zou hebben gestudeerd. Ik mis het analyseren, het denken over een samengebonden hoopje woorden. Bijna kan ik het niet bevatten dat mensen andere wetenschap dan de literatuurwetenschap zou willen beoefenen. Taal is alles, de kunst die daarvan gemaakt wordt is het mooist en de wetenschap daarover is onbeschrijfelijk. Het is zo allesomvattend en zelfverrijkend dat ik denk dat het uniek is. Ach, laat me dromen. Dit is hoe ik gelukkig ben. Ik zal nog moeten wachten. Dus werp ik me nu maar op de studiehandleidingen van de aankomende vakken. Ik bestel vol vreugde de boeken die ik zal moeten gaan lezen en schik me tevreden in mijn rol als nerd. Dit is hoe gelukkig ik ben.
Het raakte me. En terwijl ik me enerzijds mee liet voeren met dat gevoel, ervoer ik tegelijkertijd ook een surreëel zelfbewustzijn. Als een passieve observeerder voelde ik hoe er iets in mijn borstkas samengedrukt werd, hoe het zich daar opeenhoopte, als een kluwen van vertedering, vervulling en verwondering. Ik voelde ook hoe ik protesteerde, omdat ik het enerzijds fijn vond, maar anderzijds ook benauwend. Alsof ik bang was voor een explosie liet ik het dus maar imploderen. Ik versplinterde het binnenin mij en liet het zich verspreiden door mijn bloedbaan, waar het zich algauw oploste in mijn organen.
Het leek toen alsof het nooit had bestaan.
Dus weemoedig bedacht ik me dat het altijd een implosie is; ik hou me altijd in. Geraakt worden is voor mij telkens beheerst. Soms komen er tranen of kriebelt mijn huid, maar verder mag er niets naar buiten. Terwijl het juist stom, zo jammer is om het te onderdrukken, omdat het een van de beste gevoelens is. Ben ik niet juist iemand die zich voedt met de verhalen van anderen – waarom zou ik de groei daarvan in mij dan begrenzen?
Ik haat al deze eigen belemmeringen. De grenzen stel ik zelf op, uit angst, als bescherming, maar kom er later weer op terug. Laat ik toch maar de muren afbreken, denk ik dan. Laat ik toch maar voor het onveilige kiezen. Laat ik toch maar kapot maken wat ik eerst noodzakelijk achtte. Maar deze destructie is van de goede soort.
Nu wil ik af gaan breken, nu wil ik voelen wat zoveel me doet. Ik wil niet dat het een wegsterven van wordt, maar ook wil ik niet een uitbarsting. Het eruit voelen sijpelen, dat is wat ik wil. Ik wil dat het aanhoudt, een tijdje, dat ik het constant voelen blijf, telkens in andere lichaamsdelen, op andere manieren, ik wil het uitdragen zodat ik het zie en hoor en proef. Dat wil ik tot ik de emotie compleet geleefd heb.
Ik geef me over, want me inhouden wil ik niet meer.
Ze is de leukste bedpartner die ik ooit heb gehad. Ik hou van haar egoïstische kattenmanieren, van haar constante schreeuw om aandacht. Het is heerlijk om haar te horen rondsluipen, vervolgens te voelen he ze op mijn bed springt en ze dan soms aarzelend en soms heel zelfverzekerd naderbij komt.
Ik weet nog de eerste nacht, waarin ze voorzichtig was. Ze ging op het dekentje naast me liggen en deed alsof ze sliep, maar zodra ze doorhad dat ik mijn ogen opende, sprong ze gauw weg, asof ze er heus niet voor mij lag. Ik liet haar maar. Ik smeekte haar niet om terug te komen, zei niet dat ze best naast me mocht komen liggen. Uit een hoopvolle afwachtendheid gaf ik me over aan haar grillen.
En dat doe ik nu nog steeds. Nu komt ze graag dichtbij, durft zo goed als zij het kan naast me in te slapen. Al rent ze het merendeel van de nacht rond, maar ik gun haar haar speelsheid. Wetende dat ze weer naar me toe zal komen.
‘s Ochtends, dan is ze op haar liefst. Haar intuïtie vertelt haar dat ik wakker ben en dat ik haar dus aandacht geven zal. Gewillig leg ik mijn dekbed goed, zoals zij die het het liefst heeft. Dan legt ze eerst haar voorpootjes op het stukje deken, snuffelt even aan mijn gezicht of handen en zet vervolgens ook haar achterpoten op ons terrein. Het plukken begint dan, waarbij ze met haar voorpoten haar plek goed schikt (terwijl ik een beetje angstig ben, hopende dat mijn deken niet onder haar nageltjes rafelt. Maar natuurlijk zeg of doe ik niets; ze is zo snel gekrenkt dat ze me meteen verlaten zou).
Als ze eindelijk haar lichaam neervlijt en ik blij word van haar warmte, staat ze toch weer op, herhaalt al haar bewegingen en gaat weer liggen. Zo gaat het steeds door, waarbij ze van tijd tot tijd mijn opgehouden hand kopjes geeft (ik mag haar niet uit mezelf aaien, maar moet wachten totdat zij het toestaat) en uiteindelijk springt ze toch weer weg. Ook dat geeft niet, want ze is lief geweest en ik ben een stukje gelukkiger.
Ik ben veel te sentimenteel. Zelfs toen ze in mijn gezicht niesde vond ik haar lief.
Het was alsof ik naar mezelf keek, naar hoe ik drie jaar geleden in een Londense boekwinkel stond. Ik bladerde met matige interesse door een boek waar ik niets vanaf wist, maar hoe meer foto’s ik bekeek, hoe nieuwsgieriger ik werd, hoe meer mijn focus groeide en hoe meer ik overmeesterd werd. Tot ik als een bezetene elke foto bestudeerde, de teksten mompelde en er een vreemd maar fijn gevoel in me groeide. Ik moest zitten, moest blijven bladeren, moest alles in me opnemen, moest snel zijn want de anderen slenterden al bij de uitgang rond. Nu zag ik ditzelfde opnieuw.
De reactie had dus niet perfecter gekund. Ik heb mensen gekend die lauw reageerden, het wel interessant vonden, maar er niet door bevangen werden. Ik heb ook mensen gekend die de schoonheid zagen, die geraakt werden en, overweldigd door de intensheid en originaliteit, haast verkeerden in ongeloof.
Ik was bang dat hij tot de eerste groep zou behoren. Maar hij bleek de beste van de tweede soort te zijn. Waardoor ik nogmaals geraakt werd, want ik was mijn onschuld vergeten en herinnerde het me nu pas weer. Ik voelde de schoonheid van dat vergeten moment.
En wou het voor me zien, dus ik zei: ‘Kom eens naast me zitten, dan kan ik meelezen.’ Verdwaald in zijn eigen roes gaf hij hard en eerlijk antwoord: ‘Nee, ik wil het alleen bekijken.’ Ik schrok niet van de afwijzing, van de onbeleefde onrechtvaardigheid, maar van alweer die herkenning. Drie jaar geleden had ik het boek zwijgend weggelegd en had me ontheemd bij de anderen gevoegd. Op vragen of ik iets leuks had gezien antwoordde ik ontkennend ‘nee’, omdat ik wist: het moest iets van mij blijven totdat ik het delen kon.
Hij zei: ‘Ik heb myotone dystrofie.’ Of het waren twee andere onherkenbare woorden met ergens ‘dys’ erin. Hij vervolgde: ‘Je weet waarschijnlijk niet wat dat is.’ Een onmerkbare milliseconde twijfelde ik over mijn volgende zet, maar besloot het risico te nemen (met in mijn achterhoofd nog de blik van verwondering op zijn gezicht toen ik vertelde dat ik studeerde en dat ik bijna 23 jaar ben en niet zijn geschatte 17 jaar) en antwoordde met een wijze glimlach dat ik dat wel wist. Wat ik verwachtte, speelde zich vervolgens gelukkig af. Hij vertoonde geen afwijkend gedrag. Eerst zei hij: ‘Oh... De meesten weten dat namelijk niet’, om vervolgens mijn onwetendheid (waar hij geen weet van had) tegemoet te komen en te zeggen: ‘Dat is als je spieren [bla bla weet ik veel ik luisterde toch niet want ik hoefde het niet na te zeggen].’ Ik knikte alsof ik allang wist wat hij nu aan het vertellen was. We voelden ons beiden slim.
Terwijl ik haar kamer overvol met spullen stofzuig, zit zij gebogen over een Zweedse puzzel. Hoe ouder je wordt, hoe meer spullen je hebt, heeft ze me net gezegd. Ik lachte, maar ik dacht: hoe ouder je wordt, hoe meer spullen je zou moeten weggooien. Zonet heeft ze me betuttelend uitgelegd dat ik de trap van boven naar beneden moet stofzuigen, waar ik het nog steeds niet mee eens ben – het maakt echt niet zoveel uit. Maar ik klemde mijn lippen stijf op elkaar, ook toen ze me zei dat ik bij het ramen lappen de kozijnen mee moest nemen en de stofzuigerkop twee standen kende. Vermoeide beleefdheid woog op dat moment zwaarder dan trots.
Even later drinken we thee. Nog steeds zit ze te prutsen aan haar puzzel, af en toe haar tweedelige puzzelwoordenboek openslaand. Dat heb ik nooit begrepen; hoeveel bevredigender is het als je op eigen denkkracht de letters plaatst?
‘Ze worden steeds lastiger’, zegt ze. ‘Hier: goedgebouwd’, en ze wijst. . L . NK.
‘Slank’, floep ik eruit. Ze kijkt zowel mij als de puzzel wantrouwend aan. ‘Ik weet niet hoor, dat is toch niet hetzelfde als goedgebouwd?!’ Ik verschuif mijn ene wenkbrauw naar boven, maar besluit er niet echt op in te gaan.
‘Misschien moet ik even in een van de andere kijken’ en weer wijst ze. Ditmaal naar een plank met dikke boeken: De Puzzelencyclopedie, 100000 Puzzelwoorden, Van Dale Puzzelwoordenboek, Omgekeerd puzzelwoordenboek en Meer dan 750000 puzzelwoorden.
Dan, geirriteerd zuchtend: ‘Volgens mij worden deze puzzels door buitenlanders gemaakt. Er staan zulke rare dingen in.’ Wonderbaarlijk genoeg gooi ik de tafel niet om en gebruik ook niet een van de boeken als wapen. Rustig zeg ik: ‘Dat denk ik niet, mevrouw’ en zet uiteen waarom.
Maar het is hopeloos, want haar blik is nog steeds wantrouwend. ‘Deze dan: hondenras.’ . . . R . . OR. ‘Ik weet niet... Terrier kan niet.’ Haar hand grijpt naar het woordenboek.
‘Labrador’, fluister ik, net hard genoeg voor haar om het niet te horen.
Ik ben er zo zeker van dat jij en ik. Dit geloof is niet op te geven, dit is een zekerheid die ik niet kan ontkennen. En toch ben ik zo machteloos, juist omdat ik de waarheid weet. Machteloos omdat ik vind dat jij de verkeerde keuze maakt. Omdat ik jou niet van gedachten kan laten veranderen.
En toch blijf ik erin geloven. Hoe arrogant dit ook mag klinken. Al bedoel ik niet dat ik het zoveel beter weet, maar mijn zekerheden zijn productiever dan jouw angsten. Ik weet nou eenmaal dat de rust die we bij elkaar voelen liefde is (hoe zwaarbeladen dit ook mag klinken). Weet hoe ver jij zou kunnen komen. Hoeveel je mij te geven hebt. Jij weet het ook, maar het voelen wil je niet. Je ontkent me.
Ik heb nooit om een drastische verandering gevraagd. Maar zelfs de kleinste stapjes wil jij niet nemen. Dat is het enige wat je hoeft te doen: bereid zijn om te bewegen. Maar jij staat liever stil dan dat je mogelijkheden creëert. En de mogelijkheden die ik zie, die ik wil maken, wijs je af zonder het te overwegen.
Die machteloosheid doet mij zoveel meer pijn dan alles wat jij het label ‘kwetsend’ geeft.
Ik faal omdat ik jou niet kan overtuigen. Ik ben tot niets in staat. Ik kan alleen maar zoveel om je geven dat het pijn doet om jou niet gelukkig te zien. En toch te weten dat ik de weg ken, maar jij niet samen met mij wilt lopen.
(Ook machteloos vanwege zij die is overleden. Nog steeds onwerkelijk... Zo waardevol voor velen en toch is ze er niet meer. Rust zacht.)