Zoals ik u net al heb gezegd, vind ik u best wel aardig, al klonk u ook een beetje bitchy. Ik vind het ook best erg dat ik pas na drie maanden belde om te vragen waar het boekje bleef dat ik had besteld. Het was me gewoon een beetje ontschoten, ik had het niet meer nodig en die € 6,95 kan ik echt wel missen. Maar dat zei ik maar niet aan de telefoon, omdat ik anders geen compensatie van u mocht ontvangen. Dat bleek dus te werken, waarvoor ik u mijn dank wil betuigen.
Ik hoop niet dat ik u chagrijnig heb gemaakt, want volgens mij bent u een lief iemand. Meestal ben ik eigenlijk wat toegeeflijker en zou ik zeggen: “Wat vreemd dat het opgestuurd was, maar ik het niet ontvangen heb... In ieder geval bedankt voor de moeite dan. Tot ziens.” Maar nu was ik iets assertiever en wou er graag wel geld of iets anders voor terug ontvangen. Het spijt me als u dat niet zo fijn vond – het zit mij ook niet zo lekker, weet u. Daarnaast hoop ik dat u er niet van wakker ligt dat u me geloofde toen ik zei dat ik het eerste boekje nooit ontvangen heb, want dat is echt niet zo! Ook hoop ik dat uw baas het ermee eens is dat u me tegemoet bent gekomen door me een ander boekje te sturen dat volgens u zelfs nog duurder was. Als hij even vriendelijk is als u, zal hij het vast begrijpen.
Als ik beloof dat ik voortaan wat minder laks zal zijn met zulke dingen, kunt u er dan voor zorgen dat het schuldgevoel dat ik nu heb wat minder wordt?
Er was een heldere spiegel met zilverachtig, glanzend beeld. Moe van ’t ingespannen peinzen nam ze daar wat rust, door licht en hoop op verandering aangelokt. Als ze zich voorover buigt, wordt ze afgestoten door haar spiegelbeeld, voelt geen begeerte naar iets lichaamloos. Ze blijft zichzelf bekijken, haar ogen ziet ze als uitgeschenen sterren, haar haar als giftige lokken, als die van Medusa; haar wangen zonder kleur, haar okeren hals, de dofheid van haar gelaat, geen blos vermengd met haar lichtbruine bezoedeling – alles waarom ze niet bewonderd wordt, bewondert ze niet.
Ze wil zichzelf niet, en weet dat; wordt door zichzelf belaagd en wijst af wie haar afwijst, door eigen afkeer ontvlamd. Het is eenzelfde schijnbeeld, dat haar teleurstelt en verdwaast.
Voorover in ’t beschaduwd huis richt ze haar blik onafgebroken op die lelijke leugen, kwijnt in haar eigen ogen weg, strekt dan half-opgericht haar armen naar het plafond en roept: ‘Wie heeft er zo hardvochtig gehaat? Ik ben gehaat, ik zie mijn haat, en wat mijn haat ziet bereik ik altijd. Zo’n ware schijn beheerst mij in mijn rancune. Zij, zij wil al te graag bij mij zijn. Waarom, mijn wangedrocht, misleid je mij niet? Je onooglijk gezicht doet mij steeds weer de lelijkste dingen beseffen; als ik jou mocht liefhebben, hoefde ik niet te haten. Een vreemde minnaarswens: wegwensen waar je naar verlangt.
Waarom mocht ik niet liefhebben? Waarom niet houden van? Waarom mocht ik niet Narcissus heten?’
In haar verdriet heeft zij zich met olijfkleurige vingers op het borstbeen gekrabd, en waar zij klauwde, ontstonden vlekken. Als ze haar wonden ziet – haar tranen verdwenen, de spiegel is weer glad – verdraagt zij het niet langer, ze kwijnt weg, verteerd door verlangen, smeltend als gele was boven een lichte vlam, als dauw verdwijnend in de lauwe ochtendzon – zo smelt zij weg en wordt langzaam opgevreten door onzichtbaar haatvuur.
Brandstapel, doodsbed, hout voor fakkels, alles lag al klaar, maar nergens was haar lichaam. Waar dat was geweest, ontdekten zij wel een gele bloem, gevat in witte bladerkrans.
Deze handleiding is ontworpen voor mensen die omgaan met mevrouw Etemad. Het is bedoeld als hulpmiddel om de communicatie te bevorderen, maar moet niet geïnterpreteerd worden als de enige omgangsmethode. U zou dit moeten lezen als een richtlijn, geen verplichting. Het biedt overigens ook geen garantie voor succesvolle communicatie; per situatie, persoon of gevoel kan het resultaat verschillen. Houdt u hier vooral rekening mee.
De grootste moeilijkheid die zich voor kan doen is dat mevrouw Etemad geneigd is vage antwoorden te geven als er iets aan haar gevraagd wordt. Op vragen als: ‘Hoe gaat het?’ of ‘Alles goed?’ antwoordt zij in 91% van de gevallen respectievelijk met: ‘Wel ok’ en ‘Ja, hoor’. Als ze een afwijkend antwoord geeft (meest voorkomend: ‘slecht’, ‘kut’) is dit niet serieus bedoeld en zal ze met een triviaal feitje over bijvoorbeeld een vastzittende toets op haar toetsenbord aankomen. De ervaring heeft echter laten zien dat ze deze vage, onoprechte antwoorden alleen geeft bij algemene vragen; hoe specifieker de vraag, hoe specifieker het antwoord dat u kan verwachten. Vragen als: ‘Hoe was je college?’, ‘Hoe was het schaatsen gisteravond?’ of ‘En hoe is het afgelopen met de docent die zo naar je benen zat te staren?’ zal ze wel gedetailleerd antwoorden. Dan heeft ze namelijk het idee dat u oprecht geïnteresseerd bent – ze is bang om anderen te vervelen en heeft vaak het gevoel waardeloos te zijn. Op zulke momenten is ze dan liever stil, al verlangt ze als ieder ander wel naar menselijk contact. Wij beseffen dat dit laatste helaas wel een grote betrokkenheid van u vergt, zoals het onthouden van details uit haar leven. Het probleem is dat zij dit enigszins van u verwacht, maar ergens ook weet dat geen normaal mens daar volledig aan kan voldoen. Zie dit dan ook als haar falen en niet als uw eigen fout.
Het is verder belangrijk aandacht te besteden aan de momenten waarop zij uit zichzelf iets begint te vertellen. In 83% van de gevallen is dit een anekdote over iets wat haar is overkomen, een verhaal dat ze gehoord heeft of (van zeer recentelijk aard) een MLIA. In alle andere gevallen vertelt ze in maximaal vijf zinnen over iets waar ze graag over zou willen praten. Dat kan een indicatie zijn voor u om te weten wat ze belangrijk vindt om te bespreken. U kunt dan besluiten om door te vragen. Doet u dit niet, is dat uiteraard geen probleem. Helaas zal zij dit echter wel opvatten als een tanende interesse, met als gevolg dat ze er verder niet meer over zal praten (zie hierboven). Deze gedachtegang heeft gelukkig geen effect op de rest van de communicatie, want ze verwijt u niets – ze weet zelf ook goed dat zij degene is die een denkfout maakt.
Wij begrijpen dat u na deze uitleg overdonderd kan zijn door de gecompliceerdheid. Dat spijt ons, maar het is geheel te wijten aan het studie-object zelf. Een laatste tip is daarom dat u er goed aan doet aan haarzelf te vertellen dat de ingewikkeldheid van haar omgang paradoxaal en moeilijk is. Zeg haar hoe irritant ze is. Misschien verandert ze er dan ooit iets aan.
De eerste liter smaakte wrang. Al viel het me mee – minder zuur dan ik gedacht had. Maar ik wou eigenlijk gewoon echt niet. Een klein kwartiertje daarvoor had ik met tranen in mijn ogen wat slokjes water gedronken, want dat wou ik ook niet. Ik wou niet hoeven plassen. Maar ik moest juist veel drinken en vooral cranberrysap. Dat had mevrouw de dokter gezegd, na een lange, pijnlijke dag en nacht, na thuis in een potje geplast te hebben (uiteraard mis), na per ongeluk de spoedlijn gebeld te hebben (“Een blaasontsteking is geen spoed! Tot ziens!”) en daarna wel het goede nummer, na naar de praktijk te zijn gefietst en van de doktersassistente gehoord te hebben dat ze verse urine nodig had en ik weer in een potje plassen moest (uiteraard weer mis), na gewacht te hebben op de uitslag en te horen hebben gekregen dat ze niets konden vinden, na wanhopig mijn klachten weer opgenoemd te hebben en ze alleen maar kon zeggen dat het waarschijnlijk een beginnende blaasontsteking was. Dat ik maar veel moest drinken en terugkomen als het erger werd. Na de slokjes water had ik me vermand. Dit was kut, deed pijn, ik kon het er niet bij hebben, maar ik ging beter worden. Het ging helpen. Dus dronk ik mijn eerste liter.
De tweede liter nam een langere verwerkingstijd in beslag. Het was later die dag, half vergeten, half oververzadigd. In een sushirestaurant gezeten had ik de neiging mijn literfles cranberrysap uit mijn tas te pakken, maar wachtte tot ik buiten was. Toen kon ik weer de handeling verrichten die bijna routineus begon te worden. Vele uren later, bij het wakker worden, was het niet mijn blaas die me aan mijn conditie herinnerde, maar de zoetzure smaak in mijn mond.
De derde liter was het zuurst. Er leek geen verbetering in te zitten, dus was ik ’s ochtends zeurderig door de pijn, de ergernis en mijn machteloosheid. Maar met elke slok van het rode sap scheen dat te verminderen. Dus dronk ik langzaam, kleine slokken, de hele ochtend en een deel van de middag. Mijn speeksel smaakte niet meer neutraal.
De vierde liter kwam er vlak achteraan. Het begon nu te vervelen. Als een ziek kind dat een vies hoestdrankje moet drinken klokte ik eens in het half uur een paar slokken weg. Ik at een heerlijke linzensoep, maar proefde het eigenlijk niet. Thuis poetste ik mijn tanden, maar zelfs de tandpasta smaakte zoet.
De vijfde liter was voor de zekerheid. ’s Ochtends binnen drie minuten gekocht voor ik doorfietste naar de uni, binnen drie uur opgedronken en met maar drie haast pijnloze wc-bezoekjes als gevolg – vergeleken met het recordaantal van zeven van de derde fles een zeer gelukkig resultaat.
De zesde fles ligt in mijn tas, onzeker van zijn lot. Hij weet dat het of nu is of anders nooit. Kies ik voor de zekerheid, voor de mogelijk helende werking van de laatste fles, en drink ik nog één laatste liter of kies ik voor de vrijheid, het welzijn van mijn tanden en gun ik mijn smaakpapillen wat rust? Mijn blaas houdt zich koest, is meningloos. Ik hoop dat hij dat voortaan dan ook blijft.
Het is nog te vroeg voor toeterende auto’s. Of voor bruiloften, botsingen of bijna-doodervaringen. Dus er moet iets mis zijn in het systeem. De stoplichten zijn vast kapot.
Ik krijg gelijk als ik uit mijn raam kijk. Een minuut of vijf blijf ik staren hoe de automobilisten eerst wachten voor het koppige rood, dan toeteren en ten slotte toch maar gaan rijden, kriskras door elkaar heen.
Ik ben zo iemand die met een gerust hart door rood rijdt, omdat ik weet wanneer het kan. Al zo vaak heb ik de stoplichtwerkwijze bestudeerd dat ik weet wanneer ik veilig kruispunten over kom, wanneer geen auto me raken zal. Ik ken het systeem.
Al vrees ik voor mijn toekomst. Over een aantal decennia zal het namelijk niet meer mogelijk zijn. Dan zullen alle auto’s een chip bevatten die in contact staat met elk stoplicht en waardoor simpelweg automatisch bepaald kan worden wie er door rood rijdt. Of wie te snel rijdt, want uiteraard kan zo’n chip dat ook meten. Alles kan worden geregistreerd en gereguleerd. Flitspalen of politieagenten zijn niet meer nodig om rood- of te-snel-rijders te pakken. Elke keer als ze een overtreding maken, is er een computer ergens die dat registreert, een boete uitprint en ervoor zorgt dat het op de keukentafel van de auto-eigenaar terechtkomt.
Fietsen zullen dan ook zo’n chip ingebouwd krijgen. Dan kunnen de bestuurders daarvan ook beboet worden en moet iedere fietser wel voor rood staan wachten. Na een tijdje komen ze echter achter de tekortkomingen: de ex-eigenaar van een gestolen fiets zal elke keer een boete ontvangen als de sadistische zwerver die zijn fiets heeft door rood rijdt. Dus besluiten ze dat een menselijke chip natuurlijk dé oplossing is. Binnen een maand wordt iedereen naar de huisarts gestuurd voor een injectie en vanaf dan ben je nooit meer veilig. Zelfs voetgangers kunnen beboet worden voor ontijdig oversteken. Of zelfs als ze niet op het zebrapad lopen, want je bent ook verbonden aan Google Earth en elk GPS-systeem natuurlijk.
Het is dan allemaal zo mooi strak georganiseerd. En zo heerlijk makkelijk. Niemand die het zal wagen te vroeg op te trekken of na even links en rechts gekeken te hebben door te fietsen bij een stoplicht. Dus niemand hoeft na te denken, niemand hoeft bewuste keuzes te maken.
Het is verwonderlijk hoe makkelijk de auto’s langs elkaar heen rijden vanuit alle richtingen, zonder daarvoor kleurtoestemming gekregen te hebben. En als je goed kijkt, zie je zelfs in deze chaos structuur – net zoals mijn schijnbaar gedachteloos door rood rijden structuur heeft. Je ziet de bestuurders, fietsers en voetgangers berekeningen maken, constant de posities en snelheden van de anderen bepalen, interpreteren en vervolgens doorkoppelen naar hun eigen gedrag. En het werkt. Want dat is het enige echte systeem.