Ik had gelopen. Ik had geknarst. De grond mijn gewicht gegeven. Ik had mijn voeten meegedragen. De sporen liet ik achter.
Zo vaak heb ik er gelopen, maar me herinneren of het pad ooit zo uitgestorven wit geweest was kon ik niet. Er hadden mensen geweest kunnen zijn, maar sporadisch waren sporen te zien. Verder was ik de eerste, de enige. Dan was er voor me een leegte en achter me ook, opgevuld met mijn schim die me achterna zat.
Maar mijn stappen deden ertoe, want een kwartier later liep zij daar. Ze zag mijn sporen, ze herkende mijn profiel. Ze koos mijn route, gelijk aan die van haar. Ze had me nooit nodig gehad. Maar mocht ze het niet weten, dan had ze mij kunnen volgen. Ik had de leegte beschreven en zij was de enige die het lezen kon. Ze ontcijferde mijn boodschap; ze wist dat ik daar had gelopen. Ze las, al wist ze wat er geschreven stond.
Hij begon er eigenlijk mee en nu zit het altijd in mijn hoofd. Nadat hij me zoals zo vaak een detail uit zijn werkdag verteld had (dat hij aan iemands gebit had gezien dat ze zwanger was), zei hij plots iets als: ‘Wel grappig eigenlijk, dat ik zeg dat ik tandarts ben en dat jij dat gelooft, terwijl ik ook totaal iets anders zou kunnen zijn. Dat ik maar doe alsof.’ Ik giechelde, zoals ik altijd doe bij hem. Vervolgens beaamde ik dat hij het dan wel zeer overtuigend speelde, met al die boeken, mappen en papieren beschreven met termen als endoscopie, ACTA, boren en vullingen, met al zijn rondslingerende spullen (kindertandenborstels, vierentwintig dozen tissues die hij goedkoop bij de leverancier kon krijgen, twee elektrische tandenborstels en werkroosters) en met al zijn verhalen (hoe sommige patiënten die van een andere praktijk naar hem overstappen belachelijk veel gaatjes hebben, hoe hij en zijn assistentes nieuwe kleding hadden uitgezocht en hoe het komt dat het zo koud voelt als je een gaatje hebt). Ik dacht er toch nog even over na, maar besloot dat het niet mogelijk was dat hij een ander leven voor me verborgen zou kunnen houden. Dit was allemaal echt, hij. Vervolgens lachte ik om mezelf, dat ik er serieus over nadacht dat hij misschien iets of iemand anders zou kunnen zijn dan hij zei hij was – zoiets gebeurt alleen in films en series. Maar die heb ik te veel gezien. Dus ik stopte niet met nadenken. Integendeel. In gedachten gaf ik hem ontelbaar veel tweede levens.
Hij is al een seriemoordenaar geweest. Net zoals Dexter schuilt in hem die onvermijdelijke drang naar het eindigen van levens, met een ziekelijk, maar ergens begrijpelijk, genoegen dat hij daaruit haalt. Maar toen hij met zijn slagersmes peultjes ging snijden, merkte ik helaas dat hij niet extreem handig was. Dat kon echter juist een reden zijn om hem te verdenken, want een goede moordenaar laat zijn vaardigheden niet zo makkelijk blijken. Of het is zo dat niet messen, maar andere voorwerpen zijn moordwapens zijn. Dezelfde hulpmiddelen als die hij voor zijn dekmantel gebruikt: boren en anesthesiespuitjes en alle andere potentiële tandheelkundige moordinstrumenten. Hij is al een drugsdealer geweest. Maar dat leek me te afgezaagd, dus ik dacht meer aan autodealer. Eentje die illegaal auto’s verscheept uit China en aan gluiperige zakenmannen verkoopt (moet vast wel kunnen op de een of andere manier). Vandaar dat hij, terwijl hij pas een paar maanden als tandarts claimt te werken, net een gloednieuwe auto gekocht heeft. Althans, beweert gekocht te hebben dus. Hij is al tandartsassistent geweest. Te beschaamd voor zijn ‘minderwaardige’ functie doet hij zich echter aan mij voor als volwaardig tandarts. Terwijl hij in de praktijk vullingen en boren aangeeft en afsprakenkaartjes invult, pikt hij de verhalen van de echte tandartsen in en vertelt ze vervolgens aan mij. Hij doet alsof hij zelfverzekerd en machtig is, maar ondertussen heeft hij zijn baas nooit met ‘je’ aangesproken en zorgt hij ervoor dat iedere medewerker in de praktijk zijn koffie geserveerd krijgt in zijn of haar favoriete mok. Hij is al lid geweest van een geheime sekte, bestaande uit extremistische tandartsen die speciale stofjes of chips in vullingen stoppen die de hersenen aantasten en je denkwijze geleidelijk beïnvloeden. De tandartsen willen de wereld overnemen namelijk. Deze geheime club komt eens in de week samen en dan bespreken ze sneakier manieren om door te gaan met hun indoctrinatie, terwijl ze overleggen wie ze nog meer in hun club kunnen verwelkomen. Om hun groeiend succes te vieren ontkurken ze aan het begin van iedere bijeenkomst een fles champagne en zodra hun glas leeg is, zetten ze allemaal hun wekker voor over twee uur. Zodra de alarmen afgaan, pakken ze gezamenlijk hun tandenborstels en poetsen dan hun tanden (het zuur tast pas na die tijd niet meer het tandglazuur aan). Wie zich niet houdt aan deze regel, is in het vervolg niet meer welkom. Hij is - mijn favoriet - al een geheim agent geweest. Op de geheime dienst van Nederland bestond het vermoeden dat er een paar terroristen-in-spe op de praktijk waar hij werkt rondlopen en hij is degene die alle inside-informatie moet verkrijgen. Binnen twee maanden kreeg hij een nieuwe naam en een nieuw verleden en volgde een spoedcursus tandheelkunde. Als hij in de praktijk staat, is hij meer bezig met hoe hij zich moet gedragen dan met hoe het zijn patiënten vergaat – vandaar dat hij laatst zo goed alle merken horloges die tandartsen dragen op kon noemen. Hij heeft de hardheid van Tom Quinn en de charme van Adam Carter, maar bezit tevens de geilheid van beide Spooks-personages. En op een gegeven moment werd ik zo enthousiast over dit spel dat iedereen ongemerkt slachtoffer werd. Mijn zus is al een gokverslaafde geweest, mijn studiegenootje een hoer en de postbode de uitvinder van het douchegordijn die gek werd van alle media-aandacht en daarom incognito leeft. Het is zodanig verslavend dat ik nu constant in iedereen op zoek ben naar afwijkende handelingen, aanwijzingen die me een richting op kunnen sturen, ‘foutjes’ die me kunnen laten merken wie al die personen echt zijn. Van alles wat me maar kan voeden in mijn fantasieën. Loverboys, een heimelijke schizofreen, vampieren, ex-gedetineerden of mensen die altijd twee onderbroeken dragen – iedereen kan alles zijn.
Psychologen zouden het erover eens zijn dat mijn fantasieën over de mensen om me heen voortkomen uit een innerlijk verlangen. Dat ik waarschijnlijk identiteitsproblemen heb, dat ik anders zou willen zijn, iets of iemand anders. En dat is waar, want ik weet niet wie ik ben. Al ben ik in gedachten alles al geweest. Een martelaar, een ninja, een - mijn favoriet - geheim agent, een paaldanseres, een elf, een melkpoederverslaafde of de hoofdpersoon van The Mina Show. Het is heerlijk me te bedenken wat er zou gebeuren, hoe ik zou handelen, hoe het verhaal af zou lopen, hoe alles anders zou kunnen zijn. Al is het verlangen niet de enige reden. Door op deze manier te verzinnen, door telkens te fantaseren over geheimen van anderen, ben ik de schepper. Ik creëer, ik maak alles wat ik wil. Want het allerliefst, het allervaakst, het allermeest, ben ik God.
Terwijl de voicerecorder de middag herbeleeft, typ ik driftig, snel, aandachtig. Altijd is er geruis, altijd zijn er een paar onhoorbare zinnen. Altijd ben ik genoodzaakt sommige passages een paar keer te beluisteren omdat er veel meer gesproken woorden in secondes kunnen dan getypte letters. Altijd zijn er momenten waarop mijn vingers gespannen hangen boven de toetsen, klaar om weer aan te vallen als het nodig is. Omdat het stil is, omdat het irrelevant is, of omdat ík praat.
Ik beschrijf hen, telkens opnieuw. Mijn taak is hun woorden om te vormen tot een verhaal dat gelezen wil worden. Zij zijn vertellers, ik de vertaler. Zij zijn vastgelegd op band tot ik hen vastleg op papier (eerst op het beeldscherm dan). Maar soms ben ik net als hen, op die momenten dat ik praat en geen vragen stel. Tussen hun zinnen door, als zij vragen, als zij luisteren, als zij even de leiding nemen. Plots verandert dan alles en word ik gedefinieerd. Ik zal waarschijnlijk nooit zelf degene zijn die het meeste praat op zo’n band en waar over geschreven gaat worden, maar stiekem is mijn hele verhaal al vastgelegd, tussen mijn vragen en hun antwoorden door, tijdens elk interview dat ik tot nu toe afgenomen heb. Ik ben al geïnterviewd door iedereen die ik geïnterviewd heb.
Wat vind je het leukst? Het schrijven of het interviewen? Je bent een echte schrijver volgens mij. - Schrijven vind ik leuk, het leukst, omdat ik het als een soort van puzzelen zie en de puzzel kan nooit compleet, perfect worden, maar ik kan er een eigen interpretatie van geven. En werk je het dan meteen uit of laat je het even liggen?
- Euhm, wel meteen, want dan vergeet ik zeker niets. Ik ben wel iemand die weinig schrijft tijdens interviews, maar ik kan dat niet. Ik kan niet luisteren, praten en schrijven tegelijk.
- Oh maar ik wil geen kinderen. Waarom niet? Wat een gekkigheid! Je bent toch een vrouw?! - Nou, ik heb geen redenen om een kind te nemen. Dat komt later misschien. - Wat voor redenen zouden dat moeten zijn? Het zijn alleen maar biologische redenen. Vrouwen hebben dat heel sterk. - Maar dat vind ik een onzinreden. Maar als je lichaam dat heel sterk voelt... Als je moet plassen, moet je plassen. Dat is een diepere natuurdrang. Komt misschien nog wel.
Ik ben sowieso wel een prater. Als ik zou moeten kiezen tussen een middagje praten of een middagje schrijven, zou ik kiezen voor praten. Schrijven is echt werken. - Oh ik echt niet! Ik zou kiezen voor schrijven.
- Ja, het lijkt mij zeker wel interessant om ook zoiets te gaan doen. Ik vind het sowieso leuk om dingen aan mensen te leren. Ok, dan kun je je dus zeker inschrijven op onze site!
Hoe lang woon je hier al? -Vanaf mijn zesde.
Je spreekt uitstekend Nederlands. En jullie zijn gevlucht? - Ja. Om welke redenen? - Om politieke redenen.
Wat kan ik te drinken voor jullie inschenken? - Thee, graag. Twee thee alsjeblieft. En vind je het goed als ik ook een broodje bestel? - Ja, hoor, natuurlijk. Ja, ziet u, ik moet het haar vragen, omdat ik mijn portemonnee vergeten ben. Sorry, hoor. - Haha, helemaal niet erg.
Hier onder de grond is de enige plek waar ik me in het westen wanen kan. De lucht is koeler, de geluiden van de straat verstomd. De metrostellen, de tegels op de muren, de omroepstemmen en de toegangspoortjes vormen een scherp contrast met de krakkemikkige chaos van het bovengrondse Teheran. Zo’n strak vormgegeven omgeving en organisatie is typerend voor steden uit het westen, niet voor deze stad die evenveel mensen herbergt als heel Nederland dat doet. Totaal anders zijn de bussen met hun oorverdovend geronk, keiharde stoelen, voortdurend getoeter en aparte vrouwen- en mannengedeeltes. Al heeft de metro ook aparte vrouwencoupés. Vrouwen kunnen daar gaan zitten of zich tussen de mannen mengen. Meer segregatie was vanuit praktische overwegingen (lange metro’s, veel volk) niet mogelijk. Meer bescherming van mannen tegen vrouwen of vrouwen tegen mannen (ik ben er nog steeds niet achter wat het is, maar welke van de twee het ook is, ik behoor altijd tot de onderdrukte groep) was hier onuitvoerbaar.
Met Blof in mijn oren overstijg ik de ruimte, kan even pretenderen dat alles Nederlands is. Alleen blijft mijn sjaal kriebelen onder mijn kin en naar achter glijden op mijn hoofd, maar het blauw blijft mijn gezicht braaf omhullen, zoals ik in de kromming van het raam voor me kan zien. Links van me staan een man en een jongetje. Het zoontje pakt zijn vaders hand. We bevinden ons op hetzelfde oogniveau – ik zittend, hij staand. Schuw kijkt hij me met zijn kleine oogjes aan vanonder zijn groene muts. Ik kijk op. Verlegen draait hij zijn hoofd weg. Ik glimlach. Speels draai ik mijn hoofd weer weg. Tot ik voel dat hij weer naar me gluurt. Dan kijk ik weer, glimlach. Dit quasigeflirt met een kleuter herhaalt zich een aantal maal, waarbij ik soms even een gekke bek trek en hem giechelen laat.
Het kleine jongetje is niet de enige die me bekijkt. In de stoel recht tegenover me zit een jongen. Zijn uitzicht ben ik. Al zou hij ook naar zijn spiegelbeeld, mijn schoenen of mijn moeder rechts van me kunnen kijken, maar ik voel zijn ogen gebrand op mij. Als ik per ongeluk mijn blik met de zijne kruizen laat, beweegt hij zijn mond, lijkt woorden te vormen. Verward haal ik een oordopje uit mijn linkeroor, kijk vragend en mompel: “Wat?”. Hij zegt niets meer, kijkt me alleen maar aan. Ongemakkelijk stop ik mijn muziek weer in mijn oor en vestig mijn aandacht maar weer op mijn zesjarige flirt.
Toch blijf ik zijn ogen voelen. Zelfs als de metro voller raakt en er meer mensen tussen ons in gaan staan, zie ik zo af en toe tussen de wiegende en bewegende ledematen door hoe zijn ogen gefixeerd zijn op mij. Dan zie ik ook iets anders. In zijn hand houdt hij een papiertje, erop een paar nummers, duidelijk voor mij te lezen. Ze zijn bedoeld voor mij. Ik lees ze niet.
Al overweeg ik het wel. Om te doen alsof ik de nummers onthou, omdat ik ze later in zal gaan toetsen op mijn telefoon. Om hem dan een knipoog te geven of wulps te glimlachen. Of om bij het naar buiten gaan vlak langs hem te lopen en het papiertje aan te nemen. Gewoon om eraan meegedaan te hebben. Aan de ‘liefde’ hier in Iran. Omdat het hier zo gaat, zo stiekem, zo geheim. Omdat hier verliefdheden ontstaan door vunzige blikken en heimelijke briefjes. Omdat jongens en meisjes elkaar op weinig andere manieren kunnen leren kennen. En ik kan er nu aan meedoen, me zo’n meisje wanend, voor me zo’n jongen, in deze omgeving die vreemd vertrouwd voelt. Maar waar de mensen, mijn hoofddoek en de wagon rechts van me vol met vrouwen me eraan blijven herinneren dat ik hier niet in het westen ben. Juist daarom doe ik het niet. Zo ben ik niet. Mijn zelfrespect bestaat eruit dat ik er niet op inga als iemand zonder me te kennen avances maakt. In Nederland niet, dus hier ook niet.
Als we bij onze halte zijn, sta ik op en geef een laatste knipoog aan het schuwe jongetje. Hij kijkt blozend voor de laatste keer weg. Ondeugend maar onschuldig. Tot hij over een aantal jaar deze blikken niet meer kent. Dan wisselt ook hij geile blikken uit met meisjes, omdat het hier nou eenmaal zo hoort. Ondertussen denk ik dan dat ik het zoveel beter doe, nooit ingaand op geflirt met vreemden, me stortend in westerse liefdes zonder vernedering of onderdrukking, gelovend dat de manier waarop ik mijn zelfrespect behoud de enige gezonde is.
Hypocriet die ik ben. Natuurlijk was ik gevleid door de aandacht die ik kreeg.
Het begint met 'Allah-o-akbar', een sarcastisch bedoelde leus tegen het regime, die meer dan dertig jaar geleden ook gebruikt werd in de maanden voor de Islamitische Revolutie. Mijn tante loopt als eerste het balkon op en schreeuwt het over de daken van Tehran-Noord. Binnen een paar seconden krijgt ze antwoord van een stem ergens uit het donker die dezelfde leus terugroept. Het is weer haar beurt en zo gaat het een tijdje door, terwijl mijn oom, nichtje en neef vanaf een raam aan de andere kant van het huis beginnen te roepen. Eens in de zoveel tijd begint iemand ergens een andere leus, schreeuwt bijvoorbeeld 'Ya Hossein' (tevens een religieuze uitroep) en krijgt als antwoord: 'Mir Hossein' (de voornaam van oppositieleider Moussawi). Tot kilometers ver moeten de mensen aan het roepen en te horen zijn. De lucht behoort hun stemmen toe.
De volgende dag vertrekken we met alleen wat geld in onze zakken en gympen aan. Het is de dag van de Ashura, waarop door een groot deel van de Sjiitische bevolking herdacht wordt dat veertienhonderd jaar geleden Imam Hossein vermoord werd. Al tien dagen gaan ze in een soort van processies de straat op, slaan op trommels en hun borst, zingen en huilen om het leed dat deze Imam is overkomen. Vandaag is het hoogtepunt: iedereen is vrij en loopt de straat op om de processies te zien.
Wij hebben echter andere plannen, want wij voegen ons bij dat deel van de bevolking dat om politieke redenen de straat op gaat. Al dagenlang werd er op verschillende sites, zoals die van oppositieleider Moussawi, aangekondigd om vandaag te demonstreren tegen het Islamitische regime, dat zijn volk onderdrukt, langs een route door het centrum van Tehran. Wij lopen mee en bekijken overdonderd de overweldigende mensenmassa. Dat er zovelen zijn. En iedereen heeft een stem;
Een aantal jaar geleden bevond ik me tijdens een bezoek aan mijn geboorteland Iran in het huis van een paar familieleden. Al drie keer was me op dwingende wijze thee aangeboden, waarop ik drie keer ‘Nee, dank u wel’ had gezegd, toen deze handelingen zich voor de vierde keer dreigden te herhalen. Ietwat geïrriteerd snauwde ik daarom gauw ‘Nee!’ voor de gastvrouw haar zin af kon maken. Het gevolg was een ongemakkelijke situatie, waarbij alle aanwezigen me een vreemde blik toewierpen en de gastvrouw duidelijk gekrenkt was. Later kreeg ik een vermanende berisping van mijn oma, die mijn gedrag niet netjes noemen kon. Wat was hier gebeurd? Ik had toch simpelweg mijn wens duidelijk gemaakt en het was toch logisch dat ik geïrriteerd raakte van telkens dezelfde vraag beantwoorden? Maar net zo min als dat ik het beleefd vond van de gastvrouw om aan te blijven dringen, vond zij mijn nee-bedanktjes op een volgens haar uiterst gastvrije vraag beleefd. Het conflict kwam dus niet voort uit de communicatie zelf; we begrepen elkaar qua taaluitingen prima, maar het waren de cultuurverschillen die wrijving veroorzaakten. ‘Cultuurverschillen’ klinkt in dit kader vreemd, aangezien ik zelf Iraans ben en daarom die cultuur goed zou moeten kennen en in me zou moeten dragen. Dit is echter niet het geval, doordat ik het grootste deel van mijn leven in Nederland heb gewoond. Hierdoor heb ik de Nederlandse cultuur geabsorbeerd en is het voor mij haast onmogelijk om vanuit de cultuur die me tot mijn zesde heeft omgeven te denken. Het basisverschil tussen de Nederlandse en de Iraanse cultuur (of algemener gesteld: tussen Westerse en Oosterse culturen, hoge en lage context culturen, traditionele en moderne culturen, of tussen fijnmazige en grofmazige culturen) is ingebed in de centrale rol die een persoon in kan nemen. In de Nederlandse cultuur worden mensen als individuen beschouwd, met grote persoonlijke vrijheden en verantwoordelijkheden. Zij nemen beslissingen vanuit innerlijke normen en waarden. De Iraanse cultuur is daarentegen gericht op de groep: mensen beschouwen zich als lid van een groep die de basis vormt van waaruit men aan de samenleving deelneemt. Normen en waarden zijn extern door de groep bepaald. Dit basisverschil in groepsafhankelijkheid of individualisme zorgt voor verschillen in veel aspecten van het menselijk gedrag. Zo is het in de Nederlandse cultuur vanzelfsprekend dat de wens van de gast wordt gerespecteerd (‘Als je het niet lekker vindt, moet je het niet opeten’), terwijl het in Iran gewoner is om de gast zoveel mogelijk te laten eten en te drinken (‘Hier! Neem nog wat!’). Gastvrijheid houdt in dat ‘nee’ niet als antwoord geaccepteerd wordt: de gast kan altijd meer eten en drinken en dat is juist goed voor hem of haar. Verzet hiertegen wordt alleen vanuit beleefdheid geuit en zou genegeerd moeten worden.
Als deze twee soorten culturen met elkaar in aanraking komen, kunnen er dus conflicten ontstaan. In mijn geval geldt dat ik de aankomende twee weken in Iran zal verblijven, waardoor ik in veel situaties zal terechtkomen waar de frictie tussen individualisme en groep speelt. Aan de ene kant is er mijn persoonlijke wens om mijn autonomie te behouden, in staat te zijn mijn eigen beslissingen te nemen en onafhankelijk van anderen te handelen. Aan de andere kant staat het vervullen van de sociale rol in de groep. Mijn verwachtingen, gebaseerd op voorgaande ervaringen, zijn dat er weinig ruimte gelaten wordt voor de wens van de ander of het behouden van privacy. Veel belangrijker is dus het in stand houden van de eigen rol in de groep. Mijn eigen behoeften staan hier diametraal tegenover; in het verleden heb ik dan ook genoeg situaties meegemaakt waarin ik me bedreigd voelde in mijn autonomie, terwijl ik wist dat de omgangsvormen cultuureigen waren. Nooit wist ik er goed mee om te gaan, want toegeven aan de traditionele waarden is mijn autonomie verloochenen en de traditionele waarden verontachtzamen zorgt voor wrijvingen en een schuldgevoel vanuit mij. Om misverstanden, stereotyperingen of ongemakkelijke situaties uit de weg te gaan, is het dus noodzakelijk dat ik de juiste omgangsvormen hanteer. Die omgangsvormen kunnen per situatie verschillen. Het is daarom niet de bedoeling in dit onderzoek een gedetailleerde handleiding te verstrekken, maar om algemene aandachtspunten aan te stippen en mogelijke handelswijzen te verwoorden. Het doel van dit onderzoek zal dus zijn om de verschillende omgangsmogelijkheden toe te passen in de situaties die zich voor zullen doen en die vervolgens te evalueren. De onderzoeksvraag luidt daarom: Welke omgangswijzen zorgen voor een zo harmonieus mogelijk verloop van mijn vakantie in Iran?
Mijn rol als onderzoeker is een zeer dubieuze. Zo wordt er van mij verwacht dat ik handel op basis van de normen en waarden van de Iraanse cultuur, maar ik ben het vooral gewend om vanuit de Nederlandse cultuur te denken en te handelen. De verwachting van de Iraniërs is er bovenal een waar ze zich niet bewust van zijn – volgens hen is hun manier van doen de enige mogelijke en de enige juiste. Dit komt niet voort uit arrogantie, maar voornamelijk uit onwetendheid en de menseigen gedachte om zichzelf als rationeel denkend en handelend persoon te zien. Vanuit die gedachte wordt het tevens duidelijk dat mijn opvattingen een slechts eenzijdig perspectief bieden. Ook ik analyseer vanuit mijn eigen denkwijzen en patronen. De resultaten van dit onderzoek zijn dan ook geen algemeen geldende adviezen, maar ze zijn slechts geldig vanuit mijn invalshoek. In dit onderzoek zal ik eerst veldwerk verrichten en verschillende omgangswijzen testen. Of ik zin heb om hier verslag van te doen weet ik nog niet – dat zie ik wel over twee weken. Wel is mijn einddoel dat ik conclusies kan trekken over de verschillende manieren om te handelen in conflictuerende situaties tussen mij en Iraniërs. Op basis daarvan zouden zelfs adviezen opgesteld kunnen worden voor elke bezoeker die zich naar dit land begeeft, maar de resultaten kennen voornamelijk een persoonlijk doel: mij handvatten bieden voor het overleven van twee weken ‘vakantie’ en mij ervan weerhouden om gek te worden van alle traditionele regels waar ik niet aan gewend ben.
‘Je denkt te veel’, zei hij me en ik beaamde. Maar jij en ik wisten de ware reden dat ik niet kan slapen. Maar ik wou jou niet verraden. Want jij bent altijd bij mij, je omarmt me nog steeds. Je blijft voor mij de gehate.
Hij leeft niet in het schimmenrijk; hij is of hier of al gegaan – daar waar jij me van weren blijft. En als hij elke nacht die paar keer, toch één tel halfwakker is, zijn arm me tederlijk laat omhelzen, een hand over mijn lichaam glijden laat en een zachte kus op mijn schouder stempelt, dan is mijn wakker-zijn niet erg meer. Dan ben jij even, die paar seconden, minder dichtbij. Dan voel ik je razernij, die eigenlijk je bevreesdheid wil maskeren, terwijl ik even in genot afglijd. Al vrees ik dat je hem zal belagen, in je wreedheid hem tot degene makend die het plafond zal bestuderen, maar ik weet dat jij mij te graag wil begeren.
Soms wil ik je smeken niet te komen als ik bij hem ben. Om me die nachten met rust te laten en alle andere tijden te verschijnen. Gun me die vrede, geef me die ledigheid. Laat me na toereikende uren ontwaken naast degene die mijn lichaam liefheeft, wiens ademhaling de mijne tempert, hij die me genegen met pop en liefje, schatje aanspreekt, laat me dit tastbare uitgerust behouden. Maar het heeft geen zin, want je schijnt te willen zeggen dat ik nooit van hem zal zijn, alleen alleen met jou achterblijvend. Te willen beweren dat het toch ophouden zal. ‘Wat heeft het voor zin als geen liefde eeuwig is, behalve onze gedeelde’. Waarop ik schreeuwen wil dat dit geen liefdemaarlijden is. Maar sereen en beweegloos ben ik, voor hem.
Dus dat is wat ik denk, dat allemaal, in de hoop je weg te drijven.