In een stenen muur huizen twee ramen. Wij zijn die twee gevangenen, wij zijn de twee geketenden. Twee vermoeiden, twee eenzamen. Om ons heen de verstrengeling van de zwarte, koude stenen, onderwijl gegrepen door de zware sloten aan onze afgeleefde kozijnen. Wij zijn beperkt, kunnen niet bewegen, inert onder de zwaarte van de muur. Elke liefde tussen jou en mij is het verhaal van de stenen, is door ons heen te bekijken. We vertellen dezelfde woorden, maar kunnen dat niet van elkaar weten. Wij kunnen praten, maar geen antwoorden geven om elkaar te bedaren. Altijd is er afstand geweest tussen ons, altijd gescheiden. Met deze bitterheid zijn de nachten en dagen van jou en van mij verstreken. De afstand is nooit groot geweest, maar de muur houdt ons constant uiteen, terzijde. Slechts verbonden door de koude wind, wiens handen ons constant meelevend lijken te strelen.
Wij moeten gevangen blijven, wij zijn voor altijd opgesloten; levend zolang we geketend blijven. Voor ons zal vrijheid het einde zijn; voor verlossing zullen we moeten sterven.
O, ging deze muur maar stuk. Gingen jij en ik maar samen dood. Werd er maar een bres geslagen, een breuk in de barbaarse muur. Konden we dan maar in een andere wereld elkaars handen raken. Op een plek waar geen pijnen de harten bewonen; geen muren zullen hun ramen separeren. O, als deze muur maar breken zou. Als wij maar samen ten onder konden gaan. Samen de afgrond in, samen terneergeslagen. O, als wij maar gebroken zouden zijn, verslagen, om maar vrij te kunnen zijn, samen.
Ze kijken naar de lucht, terwijl ze dobberen aan de oppervlakte. Vredig wijzend naar de wolken lijken ze almogend, schijnen ze in staat alle mogelijke gedachten naar wat er onder hen bevindt te elimineren. Dat is hun kracht: het argeloze.
Ik bevind me dieper, daar waar de oppervlakte vergeten lijkt. Ik bevind me daar waar ik omgeven wordt door leegte, diepte, zwarte vreugde. Hier ben ik alleen met de donkerte en de keuze om dieper te gaan. Ik ben een reiziger, op zoek naar het nog niet ontdekte, want het duister lijkt altijd verder te gaan, te bewegen. Zij zijn daar bang voor. Ze denken van het licht te houden, denken dat het hier verdwalen wordt, dat je niet in het donker overleven kan zonder grond om je voeten op te balanceren. Daarmee bewerend dat de lucht tastbaar is; het is iets om je aan vast te kunnen grijpen. Maar niet wetend: er is echt niets wat we nodig hebben om uit onszelf te kunnen zweven.
Ik zal je mee naar beneden trekken, je verleiden tot wat er niet te zien is, je jouw wereld willen laten tonen. Als je niet oppast zal ik je voeten grijpen, dus wees niet op je hoede. Ik zal je constant blijven vragen, je blijven uitdagen, je stil laten doen zijn zodat je niet zult zwijgen. Ik wil niet dat je daar blijft, zo sereen drijvend, maar zoveel vergetend, zo onwetend. Want ik wil altijd dieper. Ik wil alles uit je halen wat er in je zit. Ik wil dat je dat zelf wilt. Ik wil dat je mij gelooft, dat het diepere altijd het betere is. Dat het drijven in de donkerte zal voelen als het zweven in de lucht. Dat het verlangen naar licht het doorstaan van het duister is. Ik wil je de adem benemen.
Dit zinken is het allerhoogste wat we bereiken kunnen.
Plots verander je, al blijf je stiekem gelijk. Je zegt dat je scheel begint te kijken, dat je ene been aan het krimpen is en dat iemand die buil op je hoofd geslagen heeft. Je wijst naar de zogenaamd beschadigde plekken, maar niemand ziet wat jij beschrijft. Ze geloven je niet, want dat hoeft ook helemaal niet. En dat weet je, maar je twijfels jagen je angst aan; je herkent jezelf niet terug. Ik wel. Ik zie wie je eerst was en wie je altijd zult zijn. Je ondergaat geen metamorfose, niemand verandert iets aan jou en jijzelf wel het allerminst. Ik herken in jou niet een scheel, kreupel en verslagen mens. Jouw gedrag mag dan onvoorspelbaar zijn, voor mij is het onfeilbaar en constant. Je woorden kunnen onzeker klinken, maar je grip is nog altijd even stevig. Je kan schreeuwen dat je wankel loopt, maar je pad is blijvend gelijkmatig recht. Je kan doen alsof je niet lachen moet, maar dat voorwendsel leidt ertoe dat je alleen maar huilen moet. En je kan pretenderen dat je andere schoenen draagt, maar je nagels blijven in hun eigen kleur gelakt.
Hij is er bijna altijd. Bijna is hij onderdeel geworden van het interieur, al is hij een heel stuk levendiger dan de apparaten waar hij zich tussen bevindt. Elke keer weer als ik de computerzaal binnenloop, zit hij achter een van de computers. Vooral die ene rechts in de hoek, bij het raam, met uitzicht op de ingang, vindt hij de fijnste volgens mij.
Verder ben ik niet zo goed in mensen onthouden. Ik vergeet gezichtskenmerken, haardrachten, kleding, lichaamsvormen. Ik onthoud alleen sommige gedragingen. Een lach of een geconcentreerde blik of de manier waarop iemand zijn neus snuit. Pas als iemand precies datzelfde weer doet, weet ik weer wie ik voor me heb. Dus alle andere gezichten waar ik voorbij loop, op zoek naar een nog niet bezette computer, vergeet ik en zie ik nooit weer opnieuw. Behalve de zijne, want hij kijkt me altijd op dezelfde manier aan.
Zijn herkenningspunt is gek genoeg zijn neutrale blik. Ietwat sexy, maar ook serieus. In zijn ogen draagt hij de gepijnigde glinstering van een Spaanse gitaarspeler die liedjes speelt over een onmogelijke liefde. Exotisch en onbereikbaar. Zwoel.
Hij moet een Zuid-Amerikaan zijn denk ik. Hij heeft van dat donkere, sluike haar dat hij in een staartje draagt. Zijn huid is bruiner dan die van mij en zijn lengte net iets meer. Ik stel me voor hoe hij ’s avonds naar huis gaat en een bonenschotel maakt terwijl swingende Spaanstalige muziek op de achtergrond klinkt. Ik noem hem José of soms Pedro in gedachten, afhankelijk van mijn stemming en zijn kledingkeuze.
Heel vaak komen meisjes naar hem toe (of het is telkens hetzelfde meisje, maar ik ben dus niet zo goed in mensen herkennen) om een praatje te maken, waardoor zijn geheimzinnigheid voor even verdwijnt. De banaalheid van het alledaagse, van het naar de kantine lopen voor koffie en verzuchtingen slaan over de hoeveelheid werk, neemt de plaats in van het mysterieuze. Bij terugkomst knakt hij even met zijn vingers en gaat verwoed verder waar hij gebleven was.
Ergens heb ik medelijden met hem. Omdat hij er zo vaak zit. Maar misschien is hij gewoon heel gedreven, houdt hij ervan om zich te storten op dat belangrijke waar hij al zo lang aan werkt. Misschien zit hij er omdat hij met zichzelf afgesproken heeft dat hij van maandag tot en met vrijdag van negen tot vijf werkt en de rest van de tijd vrij heeft. Misschien zit hij er omdat hij anders alleen is.
Ik vraag me af of hij mij herkent. Ik, die op onregelmatige tijdstippen tikkend met mijn hakken op zoek ben naar een zitplek. Ik, wiens ogen onbewust naar hem toegezogen worden. Ik, die ernaar smacht gevoed te worden in mijn fantasie. Ik verlang naar het exotische, naar wat gitaarmuziek en een zwoele zomernacht. Ik, die niet weet of ik zijn naam wel weten wil.
Mijn handdoek had ik van de verwarming gepakt, tegen me aangedrukt en ermee naar de badkamer gelopen. Over de rand van de douchecabine had ik hem willen werpen, maar ik stopte halverwege, gestaakt in mijn bewegingen vanwege een spin die over de witte badstof omhoog kroop. Het was een grote spin, een dikke zwarte. Drie seconden later was het een geplette spin, een vieze platte, zoals je die in tekenfilms ziet. Een zwart rondje waaruit acht streepjes staken. Terwijl ik vol fascinatie de overblijfselen bekeek, bedacht ik me dat ik huivering miste. Ik had weliswaar een sprongetje gemaakt en een zacht ‘hiew’-geluid laten horen door het onverwachte, maar direct erna had ik gehandeld. Ik had de handdoek geschud (van me af natuurlijk), de spin zien vallen, mijn vaders slipper aan mijn voet gedaan en de moord begaan. Het fascineerde me dat het tafereel van het bijna in aanraking komen met een geleedpotige (een van de dingen waarvan de gedachte me normaal gesproken vrees bezorgde), deze keer bij mij een kordate en efficiënte reactie opgeroepen had. Paniek was mij zoveel beter bekend: een aantal jaar geleden liep ik mijn donkere kamer in, deed het licht aan en schrok van het wezen dat me vanaf de grond aan leek te kijken. Mijn reflex was om mijn vader te roepen en een andere kamer in te vluchten tot het beest opgeruimd was. ’s Nachts lag ik rillend in bed omdat ik me een slaap vol boze dromen voor kon stellen met zijn familie als figuranten, om vervolgens elke gedachte eraan te verbannen zodat ik de angst niet hoefde te voelen. Nu was ik echter niet bang geweest. Ik, die altijd wegliep als het te eng werd. Ik, die het liefst wou vermijden. Ik, die geloofde: niet aan denken is niet voelen is kunnen doen alsof het niet bestaat is niet bang hoeven zijn. Tenminste, dat had ik zo lang gedaan, maar terwijl het karkas de witte badkamervloer sierde en het douchewater over mijn lichaam liep, besefte ik me dat ik dat al een tijdje niet meer deed. Dus nee, al was de spin eng, ik had het aangekund. Ik voelde geen rillingen, vond de waterstralen niet lijken op obscene spinnenpoten die mijn lichaam beliepen, zocht niet in de hoeken naar zijn soortgenoten. En ik besefte me dat het de laatste tijd met al het andere enge zo was gegaan: vermijding is veranderd in het risico’s durven nemen. Het is niet eens dat ik nu mijn angsten aanga en zie dat er niets ergs gebeuren kan; het is het ze aangaan en zien dat ik er wel overheen kom. Dus nee, ik ben niet bang meer voor mezelf. Dat hoeft ook niet als ik weet dat ik best veel hebben kan. Ik durf angsten aan te gaan, nog voorzichtig, gereserveerd, altijd de risico’s berekenend. Maar ik weet dat de uitkomst hoe dan ook een bevestiging gaat zijn. De spin heb ik overigens niet opgeruimd van de badkamervloer. Als een trofee, als het bewijs van mijn kunnen, als een laatste ode aan de rol die hij in mijn leven speelde, heeft het daar nog een paar uur gelegen voordat mijn vader hem verwijderde. Die avond ging ik gewoon naar bed.
Tussen de altijd voorkomende algemene vragen als ‘Wat is uw leeftijd?’ en ‘Wat is uw gezinssituatie?’ stond een vraag die onmogelijk tot dezelfde categorie kon behoren, maar wel die pretentie leek te hebben. Het leek haast een stijlbreuk; het voldeed niet aan de verwachtingen die ik opgebouwd heb tijdens het invullen van allerlei onderzoeken. Een antwoord uitkiezen was voor mij echter snel gedaan (raad maar), maar toch bleef ik hangen bij de vraag.
Drijfveren zeggen iets over je motivatie, houding, voorkeur en waarden. Geef van onderstaande drijfveren aan welke het meest bij u past.
- Materiële beloning. Belang dat je hecht aan een hoog inkomen, materialisme.
- Macht en invloed. Verlangen andere mensen en gebeurtenissen te kunnen leiden of beïnvloeden.
- Persoonlijke waarden en normen. Bijdragen leveren aan een groter geheel en daaraan eigen financieel of ander ander belang ondergeschikt maken.
- Specialisme. Ergens heel goed in willen zijn.
- Creativiteit. Produceren van nieuwe ideeën of producten, vernieuwend bezig zijn.
- Sociale contacten. Gezelligheid en vriendschap.
- Autonomie. Onafhankelijkheid en zelf beslissingen kunnen nemen.
- Zekerheid. Lange termijn zekerheid is belangrijk, zoals een pensioen, vast inkomen en een eigen huis waar je lang in kan blijven wonen.
- Status. Indruk of aanzien is een belangrijke drijfveer, bijvoorbeeld via geld of een specialisatie die dan als middel dienen.
Ondanks dat ik degene moest zijn die antwoorden zou geven, bleek ik iemand te worden die naar aanleiding van deze vraag zelf de noodzaak voelde tot het stellen van vragen. Voor ik het wist veranderde de taak van het invullen van een hersenloos onderzoekje in een filosofisch innerlijk dialoog.
Hoe kwamen de makers van de enquête op dit rijtje? Is er lang over gediscussieerd welke drijfveren kiesbaar zouden moeten zijn? Wat is allemaal weggestreept? Zouden ze ook niet vinden dat sommige drijfveren samengenomen zouden kunnen worden? Waarom is er geen optie gegeven voor ‘anders, namelijk...’? Wat zouden de uitkomsten zijn? Zou blijken dat bijvoorbeeld alleenstaande mannen meer waarde hechten aan status? En: hoe denken anderen over deze vraag? Welk antwoord zouden zij kiezen?
Dit moet de uitdaging van haar dag zijn. Terwijl ze probeert haar balans te bewaren op het draaistuk van de tram, scheurt ze de plastic verpakking van haar AH to go-pastasalade los en prikt het vorkje in een van de in pesto gedrenkte pennes. De man naast me vertelt zijn vrouw hoe er afgelopen winter een huisvrouw met een bakfiets gearresteerd was op de Overtoom omdat ze verzet had gepleegd: tegen twee politieagenten die de verkeerde kant op fietsten had ze geroepen: “Jullie geven een goed voorbeeld, zeg!”. De arrogante agenten hadden haar vervolgens opgepakt, waarbij er kennelijk veel geweld aan te pas was gekomen, aangezien er drie politieauto’s voor nodig waren om haar weg te voeren. Ergens achterin de tram heeft iemand zijn muziek veel te hard aan staan. Het doet me denken aan de dronken man van gisteravond die in deze zelfde setting vrolijk riep: "Kun je het niet nog harder zetten? Dan kunnen we allemaal meeluisteren!" Het was een nette man. Althans, dat zal hij overdag geweest zijn. Een hypotheekadviseur, een manager of databeheerder of zoiets. In zijn dronken toestand was hij echter een schreeuwerige zak die alles riep wat in hem opkwam ("Gaat u weg? Wilt u niet naast mij blijven staan?" en: "Even drie keer hard remmen, dan kunnen er aan de voorkant nog meer mensen bij!"). Ik stelde me voor hoe hij overdag ineengedoken en stilletjes op een van de stoelen zat, zijn spieren verkrampt en een glimp van ergernis rond zijn mond waar verder geen geluid uit kwam. De pastasaladevrouw vecht nog steeds voor haar evenwicht, voor haar eten, voor haar plaats tussen het gehussel en gekrioel. Als de tram plots remt, weet ze zich goed staande te houden, in tegenstelling tot mij. Hier ben ik dan ook niet voor gemaakt. Ik struikel. Mijn voeten verpletten iemand anders voeten, mijn schouder botst tegen een paal en mijn tas werpt zich tegen mijn heup. Ik mompel wat verontschuldigingen, niet wetende wat ik anders had kunnen doen.