BlogtopmenuOver mijtopmenuCVtopmenuContact
Blijf staan bij wat ik schrijf
Blog
RSS
Het blijft mijn verhaal
2010/06/29 17:25:37

Vandaag zag ik wat ik had willen zijn. Ik had erover gefantaseerd, maar het werd dus nooit mijn geschiedenis. Nu kon ik alleen maar kijken, zien hoe het was veranderd in werkelijkheid en was opgeleefd tot een lief tafereel.

Het blijft wel altijd mijn verhaal.

Ik kan niet eens boos zijn, want ik vind het zo mooi. Zo mooi dat mijn verhaal, mijn fictie, mijn fantasie, ontstaan bleek te zijn. Zo mooi hoe ze daar stonden, zo geweldig dat het werkte. Ik ben een schepper, ik creëer. En hoe graag ik ook een deelnemer had willen zijn, hoe graag ik niet verliezen wou, ik voel wel hun geluk.

Nu nog het accepteren van mijn lot, genoegen nemen met mijn passieve rol. Nu niet meer verdrietig zijn.

Het verschil
2010/06/25 16:51:50

Ik hou van het bos. Van dagen waarop de zon me wekt. Van bloemetjespatronen en van alle soorten groenten.
Ik haat de zee en ochtenden met regen. Ruitjespatronen vind ik lelijk en vlees wil ik niet eten.


Hij dacht dat ik hem niet snapte, dat hij gestoord aan het worden was. Ik dacht dat hij niet gekker was dan ik. Ik zag dat we vreesden voor dezelfde leegtes. Hij kon niet lachen om sommige van mijn grapjes, omdat die te ver konden gaan. Voor mij betekende het slechts dat ik me voldoende op mijn gemak voelde bij hem. Hij dacht dat hij alles alleen oplossen kon. Ik trachtte te zeggen dat ik dat al had geprobeerd, maar geleerd had dat dat niet werkte. Hij dacht dat ik zo alfa was en hij zo beta, maar ik waardeerde juist zijn interesse in kunst en was zelf altijd nieuwsgierig naar al het technische wat hij vertellen kon.
    Hij wist niet of hij wel zoveel nadenken wilde. Ik wist al zeker dat we beiden beter af waren als we daar niet mee stoppen zouden. Hij vond mij zo paradoxaal, maar ik wist dat hij ook wel moest weten dat hij dat eveneens over zichzelf zeggen kon. Hij dacht dat ik wel wist wat ik wilde. Ik wist dat we beiden aan het zoeken waren. Hij was bang om te geven om, en ik was bang om niets te krijgen.

Hij was ervan overtuigd dat hij gelijk had, terwijl ik dat niet kon snappen. Waarom zag ik de dingen anders dan hij? Waarom zag hij alleen de verschillen en ik de overeenkomsten? Al kon ik niet om dat ene verschil, dat minieme verschil in visie, heen.
    Nu is het niet zo dat ik gelijk wil hebben, wil horen dat mijn perspectief het juiste was, maar ik wil het niet verkeerd hebben. Als het zo is dat hij gelijk had, wil ik weten waarom ik dat dan niet zie, want deze fout wil ik nooit meer maken. Ik wil niet blind zijn, want alziend kan ik toch niet worden.

De stilte
2010/06/22 22:25:09

Dezelfde hemel boven ons,
onze muren zijn gelijk
De lente omarmt ons allebei
Maar onze harten – twee
Onze handen – uiteen
Ons gehuil hangt in ons keel
Ons gelach is zonder geluid.

Ik kan niet, ik kan jou niet begrijpen
Al delen we dezelfde nachten
Dezelfde pijnen die ons huis bevolken
verjagen ons, maar niet van elkaar vandaan

Schreeuw mij eruit
Laat mij hier gaan
Een van ons zal moeten praten

Mondige meisjes
2010/06/19 17:49:16

Mevrouw Hubeek zat op haar favoriete stoel aan de keukentafel met een sigaret in haar ene hand en een rekening in de andere. Terwijl ze zenuwachtig een paar slokjes van haar koffie nam, legde ze de rekening op een stapel papier. Ze mompelde wat in zichzelf en bewoog haar kopje weer terug naar het schoteltje, maar niet voordat ze het papieren onderleggertje met bloemetjespatroon weer rechtgezet had.
    Vervolgens wandelde ze even heen en weer naar de woonkamer, ondertussen vergetend wat ze van plan was daar te doen. De sigarettenrook volgde haar, terwijl Tupac de kat haar tegemoet kwam. Samen gingen ze weer terug naar de keukentafel – zij waggelend met haar logge lijf en hij sierlijk en arrogant trippelend.
    Mevrouw Hubeek liep naar de trap. Met haar roodgelakte nagels trok ze haar pyamashirt weer recht over haar grote borsten en krabde daarna even aan haar rug. Toen ze haar bed bereikte was ze al vijf spiegels gepasseerd, maar in geen van allen had ze een blik geworpen. Niet uit angst, maar uit onverschilligheid. Ze wist toch wel wat erin te zien zou zijn. Gelukkig had ze nog foto’s uit oude tijden toen ze nog gewild was en geen medicijnen slikte. Foto’s waar ze vol nostalgie naar kon kijken. De foto’s van haar dochter (zestien op de keukentafel, vijf op het fotolijstje voor de spiegel in de hal en elf in de woonkamer) bekeek ze echter veel vaker.
    Ze zat even op de rand van het bed, rookte haar sigaret op en strompelde weer naar beneden. Deze keer krabde ze zichzelf op haar hoofd en voelde hoe haar stugge, roodbruine haar zich langs haar vingers schuurde. Vandaag zou ze het weer moeten wassen. Voor de zoveelste keer bij de keukentafel aangekomen pakte ze nogmaals de rekening op. Haar oog viel op de rekening daaronder waar ze eergisteren zo van was geschrokken. Een bedrag dat even groot was als haar maandelijkse uitkering zou zij over moeten maken naar een of ander bedrijf voor iets met haar telefoon waar ze helemaal geen gebruik van had gemaakt. ‘Mooi niet dat ik dat ga doen!’, had ze toen gedacht. Dat had ze toen ook aan de vrouw gezegd die de telefoon had opgenomen. ‘Mooi niet dat ik dat ga betalen! Jullie zoeken het maar uit!’ en toen had ze opgehangen.
    Natuurlijk zat ze er gisteren nog over in de stress, maar opeens was daar een reddende engel verschenen. Het Marokkaanse meisje van de thuiszorg had haar geholpen toen mevrouw Hubeek het verhaal uitvoerig had verteld. Hayat had het bedrijf gebeld, een e-mail of zoiets gestuurd en haar gezegd dat het goed zou komen. De lieve schat had zoveel moeite voor haar gedaan. En mevrouw Hubeek had met haar Amsterdamse accent verzucht: ‘Jullie generatie is zo mondig geworden. Jullie komen echt op voor je eigen. Ik heb alleen maar een grote bek.’
    Ze zei die zinnen opnieuw hardop en beleefde de behulpzaamheid van het meisje opnieuw. Even verzonk ze in gedachten, moest denken aan de Marokkaanse vriendinnetjes van haar dochter. Die waren ook zo mondig. Evenals haar dochter. Mevrouw Hubeek was daar stiekem trots op.
    Deze gedachten vervoerden haar voor een klein minuutje naar een serene staat, maar toen moest ze alweer denken aan Marokkaanse jongens. Die waren alleen maar uit op stoerdoenerij. Ze moest eraan denken dat een ervan haar dochter de dood in had gejaagd, te hard rijdend met zijn net verworven rijbewijs.
    Ze stak nog een sigaret op en keek naar een van de foto’s van Amy op de keukentafel. Deze waren allemaal genomen in de laatste maanden voor haar dood en toonden een mooi pubermeisje met een brutale glinstering in haar blauwe ogen. Het gelige licht van de schemerlamp viel precies zo dat mevrouw Hubeek haar eigen gezicht in dat van haar dochter weerspiegeld zag.

Vastgelegd
2010/06/13 14:20:06

Uit haar blik kon ik afleiden dat ik even moest wachten met praten totdat zij iets zei wat op haar hart lag: “Je lijkt op mijn kleindochter”. Ik lach en stel een vraag waarop ik het antwoord al weet: “O ja? Heeft u een foto van haar?”
Haar hand wijst eerst en dan volgen haar ogen. Ik kijk naar een groepsportret met lachende gezichten. “Ja, daar staat ze”. Acht gezichten en een daarvan heeft donker krulhaar, een ietwat scheve, grote neus en lachogen.
De oude vrouw begint te vertellen terwijl haar vinger figuurtjes in de lucht maakt. Dat is mijn zoon met zijn vrouw, dat is de oudste dochter met haar vriend en dat de andere dochter met ook haar vriend en dat zijn de twee jongste kinderen. Ik kijk naar het gezicht dat mij aankijkt.
Even later drinken we thee terwijl mijn ogen me vijf keer aanstaren vanaf verschillende plekken in de kamer. Ik staar haar aan.
Oma pakt een fotoboek van de vakantie. We gingen naar Duitsland, zaten samen in een huisje. De omgeving ziet er groen en weelderig uit. Dit was de kerk waar we gingen kijken. Zij klom niet naar boven. Mijn knieën deden pijn.
We naderen de laatste dagen. De jongens maakten schoon. Nog één keer gingen we uit eten. Ik zit aan de tafel terwijl zij me vanaf de bank bekijkt. Oma’s vingers wijzen naar een bord met eten en tegelijkertijd naar een foto in het boek. Ik lach voor de foto, om de foto. Ze slaat de bladzijde om, ik kijk naar mijn vader.
De laatste foto van iedereen, lachend, lege borden met onze geschiedenis erop.
Ja, het was een fijne vakantie. Haar stem verliest de dromerige klank en de tijd is terug.
Ik glimlach naar haar, wijs met mijn vinger en zeg: “Datzelfde truitje heb ik ook”.

Om maar niet te ontsnappen
2010/06/10 18:01:33

Ik had het boek op geen beter moment kunnen lezen, want juist nu voelde ik de tragiek. Juist nu leefde ik mee met Olga, juist nu werd mijn hart verscheurd door het lot en voelde ik hoe er aan zoveel niet te ontkomen viel. Juist nu was ik zo goed in staat om me mee te laten voeren door het verhaal dat mijn emoties meesleurde omdat ze dezelfde tonen raakten. 

Maar dan begin ik te twijfelen aan mezelf. Want als ik het boek eerder had gelezen, terwijl ik mijn ontwikkelingen van de afgelopen maanden niet door had gemaakt, had ik het dan net zo mooi gevonden? Zou ik tot vijf keer toe de tranen in mijn ogen weggeknipperd hebben om de woorden te kunnen blijven lezen? Zou ik me verbonden voelen met Olga? Zou ik in Oblomov sporen van mijn omgeving zien en zou ik even verscheurd zijn? Zou ik het boek net zo waarderen als ik nu doe of zou het mij ontglippen? Zou het gewoon een verhaal zijn waar ik wel wat dingen in herkende, maar niet een tragedie waar ik mijzelf in gespiegeld zag? Het stoort me dat ik niet weet hoe ik het anders had beleefd, terwijl ik tegelijkertijd zo diep geraakt ben dat ik niet anders had gewild.

De noodzaak tot verlaten
2010/06/07 20:34:01

Niemand had ze over hem verteld. Al vier maanden lang haalde ze onverschillig haar schouders op als iemand haar vroeg hoe het ging in de liefde. Ze deed alsof er niets gebeurde, alsof haar dagen leeg en passieloos waren, terwijl ze zich ondertussen  elke week een paar nachten in zijn armen nestelde.
    Ze wou het best vertellen aan degenen die haar erover vroegen, maar nog liever wou ze voorzichtig zijn. Ze kende de gevaren nou eenmaal te goed, ze wist wat er ging komen. Ze wist dat het eens uit zou gaan en welke gebeurtenissen er dan in gang zouden worden gezet.
    De gesprekken over dat het waarschijnlijk toch niets had kunnen worden, dat hij toch niet goed genoeg voor haar was, die wilde ze niet meer voeren. De slappe praatjes over dat er meer vissen in de zee zijn, dat ze niet verdrietig hoefde te zijn, die wilde ze niet meer horen. De zogenaamde bemoedigingen dat ze vast weer snel iemand zou vinden, dat het goed was dat ze voor zichzelf had gekozen, die wilde ze niet meer beamen. Na vijf maanden haar liefde opgehemeld te hebben, was kennelijk de tijd aangebroken om hem af te kraken.
    Dat wilde ze allemaal niet meer. Wat haatte ze die gesprekken, want die waren respectloos en pijnlijk. Het was oneerlijk om zowel haar als haar ex te beledigen door zoveel slechte dingen over hem te zeggen. Ze wou niet horen dat hij toch nooit goed voor haar was geweest of dat ze toch niet bij elkaar pasten – dat impliceerde dat zij een slecht beoordelingsvermogen had en belachelijke keuzes maakte. Terwijl ze toch elke keer weer vol overgave liefhad. Ze had hen lief die het verdienden en ze ging nooit weg tot ze er zeker van was dat ze voldoende aan hen gegeven had.
    En als ze eenmaal besloten had dat het genoeg was, dan leefde ze in vrede. Ze was kalm over haar besluit en ging verder met haar leven. Althans, zo zou het gegaan zijn als niet telkens haar omgeving haar belemmerde. Volgens al die mensen moest ze vast verdrietig zijn om weer een liefde die was stukgegaan. Ze had vast troost nodig en de troost die zij haar konden bieden zat in nare woorden, zat in vuilsprekerij. Dus werd haar gezegd dat hij egoïstisch en onachtzaam geweest was, dat ze veel beter af was zonder hem en ze zou nu vast zien dat ze gelukkiger werd. Maar al die mensen schenen niet te snappen dat zij tevreden was over haar besluit en niet eens troost nodig had. Ze had gehandeld zoals zij alleen kon handelen: ze had gegeven en toen ze niet meer nodig was, greep ze die reden aan om weg te gaan. Zo sereen en uitgedacht waren haar ideeën, maar de anderen beïnvloedden haar zodanig dat de vuile, onware woorden ook uit haar mond begonnen te komen. Door hen wankelde haar geloof.
    Dus dit keer had ze besloten het anders te doen en zweeg ze. Hij bestond in feite niet. In ieder geval niet in de wereld van de mensen om haar heen. Wel in de hare uiteraard, al was zijn plek fysiek gezien geringer dan hij dacht. Maar hij had dan ook niet door hoe ze zijn aanwezigheid op alle mogelijke manieren probeerde te beperken. Het liefste ging zij naar hem toe, het liefste nam ze geen cadeautjes van hem aan en het liefste vermeed ze elke mogelijke interactie tussen hem en haar vrienden. Ze had zijn telefoonnummer uit haar hoofd geleerd en toetste dat elke keer in – er was geen contactpersoon in haar telefoon met zijn naam. Zijn sms’jes wiste ze meteen en de kaartjes van alle bioscoopbezoeken gooide ze gelijk in de prullenbak.
    Toch had ze niet minder lief dan anders. Ze zei hem hoeveel ze om hem gaf, dat ze zich zo zorgeloos en vrij voelde als ze bij hem was en dat ze hem miste als ze van zijn huis wegging. Ze luisterde naar zijn verhalen, hoorde zijn onzekerheden aan en probeerde er voor hem te zijn als hij iets nodig had. Ze liet zich ’s nachts innig omhelzen, al kon ze soms niet slapen door de geringe bewegingsvrijheid, maar hij had er nou eenmaal behoefte aan om zich vast te klampen aan haar.
    En als ze bij hem was, voelde ze zich beter dan ooit. Zo ging zelfs de zesde maand voorbij zonder dat ze de rigoureuze beslissing maakte. Ze schreef het toe aan haar zwijgen en haar ontkenning van de liefde, concludeerde dat het daarom deze keer zoveel langer duurde. En het ging door, ze hielden vol, tot hij langzaamaan begon door te dringen in de wereld van de mensen om haar heen: bijna was ze met hem bekenden tegengekomen en bijna was ze ontdekt door een t-shirt dat hij bij haar vergeten was. Bijna verraadde ze zichzelf toen ze stilviel nadat hij zei dat hij graag haar vrienden zou ontmoeten. In paniek gebracht zag ze haar geconstrueerde werkelijkheid bijna in elkaar storten, dus ze greep terug op haar enige zekerheid en verliet hem. Ze maakte het uit en wilde hem nooit meer zien. Maar haar kalmte hervond ze niet.

Ik ken zijn stem
2010/06/02 21:20:58

Hij zit al weken in mijn hoofd. Ik ben met hem wezen hardlopen, ik heb hem meegenomen toen ik ging fietsen, een stukje moest wandelen, in het openbaar vervoer en als ik het even niet meer wist. Hij is wijs en kan goed spreken. Hij is helder en intelligent. Zijn zinnen zo doordrenkt van informatie dat ik aantekeningen maken moest.
    Ik ken zijn stem nu door en door. Ik weet wanneer hij pauzes neemt, wanneer hij ‘goed...’ zegt en wanneer hij met een nieuw onderwerp begint. Ik weet dat hij ‘u’ als aansprekingsvorm gebruikt en ik kan voorspellen wanneer de klemtonen vallen of de stiltes het even overnemen. Ik weet dat hij een voorkeur heeft voor de woorden ‘in laatste instantie’ en dat zijn Franse uitspraak uitstekend is. Ik weet dat hij soms humoristische dingen zeggen kan en soms aandoenlijke, maar voor het grootste deel geeft hij informatie, zo veel en zo lang, maar ook zo verhelderend fijn. Ik ken zijn staccato zinnen, die toch lang zijn en vreemd genoeg niet monotoon.
    Maar het gekke is dat ik nooit naar een van zijn hoorcolleges geweest ben. Dat hoeft ook niet als het audiomateriaal gewoon te downloaden is. Ik heb nooit in de collegezaal gezeten, ben nooit een deel geweest van het rumoer dat op de achtergrond te horen is. Ik heb hem nooit in actie gezien, hem nooit live bijgewoond.
    Voor mij is hij slechts een stem, dat is het enige dat ik van hem ken. Ik weet niet hoe hij loopt, hoe hij kijkt of glimlacht als hij iets vertelt. Ik ken zijn bewegingen niet, al heb ik soms wel zijn voetstappen gehoord. Natuurlijk ken ik wel zijn gezicht, maar dat is een statisch plaatje – geen bewegend beeld. Voor mij is hij een foto. En zijn stem een entiteit op zich.

115 Totaal items 1  2  3  4  5  ...  15 


Blogbottom menuOver mijbottom menuCVbottom menuContact