BlogtopmenuOver mijtopmenuCVtopmenuContact
Blijf staan bij wat ik schrijf
Blog
RSS
Een of andere ziekte
2010/07/28 07:52:07

Hij zei: ‘Ik heb myotone dystrofie.’ Of het waren twee andere onherkenbare woorden met ergens ‘dys’ erin. Hij vervolgde: ‘Je weet waarschijnlijk niet wat dat is.’
Een onmerkbare milliseconde twijfelde ik over mijn volgende zet, maar besloot het risico te nemen (met in mijn achterhoofd nog de blik van verwondering op zijn gezicht toen ik vertelde dat ik studeerde en dat ik bijna 23 jaar ben en niet zijn geschatte 17 jaar) en antwoordde met een wijze glimlach dat ik dat wel wist.
Wat ik verwachtte, speelde zich vervolgens gelukkig af. Hij vertoonde geen afwijkend gedrag. Eerst zei hij: ‘Oh... De meesten weten dat namelijk niet’, om vervolgens mijn onwetendheid (waar hij geen weet van had) tegemoet te komen en te zeggen: ‘Dat is als je spieren [bla bla weet ik veel ik luisterde toch niet want ik hoefde het niet na te zeggen].’
Ik knikte alsof ik allang wist wat hij nu aan het vertellen was. We voelden ons beiden slim.

Wat je weggeeft krijg je nooit meer terug
2010/07/23 18:04:11

Ze stond op met een onheilspellend gevoel en die leegte in haar buik. Haar hart klopte toen al net wat slagen harder, alsof er vandaag iets groots te gebeuren stond, en Linde voelde hoe een apart soort opwinding zich van haar meester maakte. Maar ze wist zeker dat in haar agenda op deze september de 28ste niets bijzonders stond; ze zou een dinsdagse routine volgen waarbij ze de hele dag verplichte colleges had, met als bijzonderheden daarnaast voor deze dag dat ze niet vergeten moest afwasmiddel te kopen. Verder waren er geen belangrijke dingen die haar aandacht nodig hadden, waren er geen bijzondere mensen jarig of moesten er mensen herdacht worden en eveneens was er een plek die ze per se vandaag nog bezoeken moest. En toch was ze ongerust, ervan overtuigd dat er iets zou gebeuren.
    Het gevoel bleef door haar lichaam stromen, bleef haar in zijn dwang houden. Het verplichtte haar te staren terwijl ze haar ontbijt klaarmaakte en haar kleren aandeed; dan stond ze even roerloos stil, van de wereld afgesloten, bezig met iets en toch zonder enige beweging. Dan staarde ze zonder ook maar iets te zien, om na een onbekende hoeveelheid seconden zich weer langzaam aan haar bezigheid te wijden. Het viel haar allemaal zelf niet op. Ze had niet door dat haar ochtendrituelen deze keer wat langer duurden, maar ervoer wel steeds die nervositeit in haar ledematen. Een stem in haar binnenste leek haar te zeggen: ‘Vandaag is de dag’, maar noch die stem, noch zijzelf wist waarvoor.  
    Pas toen ze op de fiets zat bedacht ze het zich, wist ze het, alsof het iets was wat ze tot dan toe simpelweg vergeten was, iets wat op deze datum – deze vierentwintigste keer dat ze de achtentwintigste dag van september beleefde – gebeuren zou, maar wat nu pas in haar herinnering terugkwam. Terwijl ze haar dagelijkse route fietste overviel het besef haar en dit zou de enige keer die dag worden dat zij zich niet verroerde maar dat ze wel vooruit kwam. Pas toen haar wielen zo traag draaiden dat omvallen haast onvermijdelijk werd, liet ze haar benen weer werken en merkte tegelijkertijd dat het onheilspellende gevoel was verdwenen en had plaatsgemaakt voor een soort van zekerheid om het besef dat ze vandaag zou sterven.
    Het stond toen al voor haar onontkoombaar vast; het zou onvermijdelijk de komende uren gebeuren. Ze voelde het even sterk als een van haar voorgevoelens, een bijzondere eigenschap die ze van haar oma had geërfd. Die had de gave bezeten om thuis te blijven op momenten dat het nodig was of juist om weg te gaan als haar gevoel dat ingaf, en het was door haar onfeilbare intuïtie geweest dat ze tegenover haar man had gezeten in hun woonkamer toen hij zijn laatste adem uitblies, in plaats van zich bij haar wekelijkse thee-uurtje met de overbuurvrouw te bevinden. Ook had oma Schouten meerdere malen verloren gewaande sieraden, boeken en papieren teruggevonden en haar dochter (Lindes tante) gewaarschuwd toen deze aankondigde met een hautaine bankier te gaan trouwen. Het advies werd echter niet opgevolgd en tante Ada beleefde inderdaad vijf ongelukkige jaren met een man die noch zijn rookverslaving, noch zijn buitenechtelijke avontuurtjes op wou geven voor zijn vrouw.
    Linde kon ook plots dingen aanvoelen zoals haar geliefde oma dat ook had gedaan en dat was niet de enige eigenschap die zij beiden deelden; dezelfde kalmte die Linde verlichtte, was ook kenmerkend geweest voor Hetty Schouten. Beiden bewogen ze zich eveneens met dezelfde zweverige passen en kenden een trots en eigenzinnigheid die nooit verward kon worden met arrogantie; ze hadden simpelweg nooit spijt van wat er in het verleden gebeurd was en waren daarom in staat om in vrede te leven met de loop die hun levens zouden nemen.
    Het was ook daarom dat Linde niet in paniek raakte na het denken van die afschuwelijke gedachte. Niet dat ze ooit echt paniek gekend had, maar zelfs deze zekerheid van het einde kon haar niet tot onrechtvaardigheden in haar stabiele denken bewegen.

Gedurende de dag deed ze wat ze doen moest. Ze besefte niet de nutteloosheid van het nemen van college-aantekeningen of het kopen van een nieuwe fles afwasmiddel op deze dag, of misschien besefte ze het zich ook wel, maar had ze al een minuut nadat ze haar lot die dag had vastgesteld op de fiets met zichzelf afgesproken dat ze niets afwijkends doen zou vandaag. Ze zou leven zoals ze altijd had gedaan en zien wat haar zou overkomen.
    Met een zekere laconiekheid, een in overpeinzingen verdronken roes, liet ze daarom deze laatste dag haar meevoeren. Maar ze was niet bang of wanhopig; ze zag geen onheil in de dagelijkse gebeurtenissen, dacht niet bij het oversteken dat een auto haar nu zou scheppen, liep niet over bruggen met het angstwekkende idee dat die ineen zouden storten, voelde haar hart niet in een laatste doodsstrijd kloppen als ze vliegtuigen laag over hoorde vliegen en bij geen een handeling die ze uitvoerde dacht ze: ‘Dit is de laatste keer dat ik dit doe’. Nee, ze was zozeer bevangen door haar gedachten over haar leven dat ze vergat te denken aan het moment en de wijze van haar dood, dat toch wel naderbij moest komen.
    De enige gedachte met betrekking tot haar einde die ze wél had, kon direct gelinkt worden aan die afschuwelijke leegte in haar buik. Ze zag dat gevoel echter helemaal niet als de kwaal waaraan ze zou sterven, maar wou wel graag van de pijn en de vragen erover verlost zijn voordat ze niet meer leven zou.
    Met behulp van haar sterk analytisch vermogen bestudeerde ze zichzelf en constateerde dat het een gemis was. Deze hapering in haar ingewanden kon niets anders zijn dan het niet hebben van datgene waar ze naar verlangde. En terwijl ze terugdook in haar herinneringen, de dood van haar oma oprakelde, pijnlijke jeugdherinneringen herbeleefde en schaamtevolle scènes herinnerde, bedacht ze zich dat het een gemis aan liefde moest zijn.
    Niemand had ooit van haar gehouden. Natuurlijk had ze wel liefde gekend, maar dat was voornamelijk de vanzelfsprekendheid van familiale koestering en genegenheid geweest – nooit was ze echt liefgehouden. Nooit was er iemand geweest die de onherroepelijke woorden tussen twee toevallige geliefden tegen haar had gezegd. Ze was wel vastgehouden, vaak genoeg, maar niet een keer was ze innig omarmd. Ze was wel door mannenhanden gestreeld, maar nooit was ze geliefkoosd. Ze had talloze malen seks gehad, maar geen een keer had ze de liefde bedreven. Er was wel naar haar verlangd, maar nooit was zij oprecht gemist.
    Terwijl deze gedachten door haar hoofd gingen, voelde zij het gat in haar lichaam groter worden. Met stekende kreten trok het haar ingewanden tegelijkertijd uiteen en in elkaar, waardoor ze haar handen op haar buik moest leggen om wat verlichting aan haar beurse innerlijk te verlenen. Tegelijkertijd dacht ze aan alle keren dat zij had gehouden van en dat waren er zoveel geweest. Ze had haar hart en alles wat ze nog meer te bieden had elke keer weer opengesteld, elke keer weer weggegeven. Zij had zonder voorwaarden van elke man die haar had gestreeld, omarmd of gekust gehouden. Niet door naïviteit, maar door een overtuiging om alles te geven, kon ze zeggen dat ze echt van hen gehouden had.
    Nu deed het haar pijn dood te gaan met dat gemis, maar het was geen verbittering wat ze voelde. Ze erkende het feit dat zij gehouden had van, maar dat niemand van haar had gehouden, maar moest tegelijkertijd aan haar oma denken, die eens had gezegd: ‘Alles wat je weggeeft, krijg je nooit meer terug. Dat wil alleen maar zeggen dat wat jij van anderen krijgt alles is wat je zelf niet hebt.’
    Toen herinnerde ze zich een andere zin, die zij eveneens aan haar oma toeschreef, maar die ook best uit een boek had kunnen komen, namelijk dat er geen grotere glorie is dan te sterven uit liefde.
    Haar optimistische natuur eigen, werd ze bevangen door de troost van de rechtvaardiging. Ze bedacht zich dat het misschien erger was te sterven voordat je echt had liefgehad dan te sterven zonder te zijn liefgehouden. Als je had gegeven wat je had, grenzeloos en passievol, was doodgaan wellicht minder pijnvol dan voortdurend te hebben ontvangen.

Constant tobbend vergleed zo de dag voor haar. Doordat ze alsmaar in gedachten was verzonken, vergat ze dat ze alweer vier colleges had gevolgd, drie maaltijden had gegeten, zeven mailtjes had beantwoord en onder andere een fles afwasmiddel had gekocht, maar nog steeds niet was gestorven. De dag was voorbij gegaan zonder dat haar voorgevoel uit was gekomen en het opmerkelijke was dat zij hier zelf niet bij stil stond.
    Pas toen ze bijna in slaap viel – nog steeds door haar gedachten over de zinvolheid van haar leven geplaagd – kwam ze tot de ontdekking dat ze nog leefde. Vlak voordat haar lichaam haar meenam naar het piekerloze centrum van de slaap, dacht ze dat het misschien dan vannacht moest gebeuren, waarbij ze van de tijdelijke vergetelheid in de definitieve zou verglijden.
    Maar die nacht stierf ze niet en ook niet de dag erop of in de weken die volgden. Dus concludeerde zij – geheel onterecht – dat ze kennelijk nog niet genoeg gegeven had. Alsof haar levensdoel eruit bestond haar hart leeg te wringen, had ze vanaf toen meer lief dan ze ooit had gehad.

De last der tranen
2010/07/20 20:41:19

In zijn armen
huilde ik, ik besnikte
het lijden dat sneed

Mijn huid verlangde
naar warmte, naar meer
dan starre kille angst

Al drie keer had ik
zijn tranen omarmd
Die wurgden mijn hart

Zijn last ontwarend
kuste ik, ik trachtte
te lenigen de smart

Nu ik eindelijk huilde
deed ik dat des te meer
om zijn armen zonder troost

Die vastbesloten afstand steeds;
mijn tranen een last
Ik wierp me van hem af

Wraak
2010/07/17 15:20:29

Terwijl ik haar kamer overvol met spullen stofzuig, zit zij gebogen over een Zweedse puzzel. Hoe ouder je wordt, hoe meer spullen je hebt, heeft ze me net gezegd. Ik lachte, maar ik dacht: hoe ouder je wordt, hoe meer spullen je zou moeten weggooien.
    Zonet heeft ze me betuttelend uitgelegd dat ik de trap van boven naar beneden moet stofzuigen, waar ik het nog steeds niet mee eens ben – het maakt echt niet zoveel uit. Maar ik klemde mijn lippen stijf op elkaar, ook toen ze me zei dat ik bij het ramen lappen de kozijnen mee moest nemen en de stofzuigerkop twee standen kende. Vermoeide beleefdheid woog op dat moment zwaarder dan trots.
    Even later drinken we thee. Nog steeds zit ze te prutsen aan haar puzzel, af en toe haar tweedelige puzzelwoordenboek openslaand. Dat heb ik nooit begrepen; hoeveel bevredigender is het als je op eigen denkkracht de letters plaatst? 
    ‘Ze worden steeds lastiger’, zegt ze. ‘Hier: goedgebouwd’, en ze wijst. . L . NK.
    ‘Slank’, floep ik eruit. Ze kijkt zowel mij als de puzzel wantrouwend aan. ‘Ik weet niet hoor, dat is toch niet hetzelfde als goedgebouwd?!’

      Ik verschuif mijn ene wenkbrauw naar boven, maar besluit er niet echt op in te gaan.
    ‘Misschien moet ik even in een van de andere kijken’ en weer wijst ze. Ditmaal naar een plank met dikke boeken: De Puzzelencyclopedie, 100000 Puzzelwoorden, Van Dale Puzzelwoordenboek, Omgekeerd puzzelwoordenboek en Meer dan 750000 puzzelwoorden.
    Dan, geirriteerd zuchtend: ‘Volgens mij worden deze puzzels door buitenlanders gemaakt. Er staan zulke rare dingen in.’

       Wonderbaarlijk genoeg gooi ik de tafel niet om en gebruik ook niet een van de boeken als wapen. Rustig zeg ik: ‘Dat denk ik niet, mevrouw’ en zet uiteen waarom.
    Maar het is hopeloos, want haar blik is nog steeds wantrouwend. ‘Deze dan: hondenras.’  . . . R . . OR. ‘Ik weet niet... Terrier kan niet.’ Haar hand grijpt naar het woordenboek.
    ‘Labrador’, fluister ik, net hard genoeg voor haar om het niet te horen.

Machteloos
2010/07/15 14:15:44

Ik ben er zo zeker van dat jij en ik. Dit geloof is niet op te geven, dit is een zekerheid die ik niet kan ontkennen. En toch ben ik zo machteloos, juist omdat ik de waarheid weet. Machteloos omdat ik vind dat jij de verkeerde keuze maakt. Omdat ik jou niet van gedachten kan laten veranderen.

En toch blijf ik erin geloven. Hoe arrogant dit ook mag klinken. Al bedoel ik niet dat ik het zoveel beter weet, maar mijn zekerheden zijn productiever dan jouw angsten. Ik weet nou eenmaal dat de rust die we bij elkaar voelen liefde is (hoe zwaarbeladen dit ook mag klinken). Weet hoe ver jij zou kunnen komen. Hoeveel je mij te geven hebt. Jij weet het ook, maar het voelen wil je niet. Je ontkent me.

Ik heb nooit om een drastische verandering gevraagd. Maar zelfs de kleinste stapjes wil jij niet nemen. Dat is het enige wat je hoeft te doen: bereid zijn om te bewegen. Maar jij staat liever stil dan dat je mogelijkheden creëert. En de mogelijkheden die ik zie, die ik wil maken, wijs je af zonder het te overwegen. 

Die machteloosheid doet mij zoveel meer pijn dan alles wat jij het label ‘kwetsend’ geeft. 

Ik faal omdat ik jou niet kan overtuigen. Ik ben tot niets in staat. Ik kan alleen maar zoveel om je geven dat het pijn doet om jou niet gelukkig te zien.
En toch te weten dat ik de weg ken, maar jij niet samen met mij wilt lopen.


(Ook machteloos vanwege zij die is overleden. Nog steeds onwerkelijk... Zo waardevol voor velen en toch is ze er niet meer. Rust zacht.)

Alles wat ik heb is voor mij gemaakt
2010/07/12 12:16:55

Ik loop van de hal naar de woonkamer, naar de slaapkamer, naar de badkamer en sta weer in de hal. Dit is de veiligheid waar ik naar heb verlangd. Alles wat hier staat is van mij. Ik bezit een huis en de inrichting ervan. Ik draag zorg voor de netheid, voor de warmte, het licht en de rekeningen. 

Zodra iets in mijn bezit komt, vergroot het mijn voorzichtigheid. Plots ga ik genegenheid voelen voor de levenloze objecten, omdat ze me gelukkiger maken. En ik wil ze dan goed verzorgen, zodat ik me er fijn om blijf voelen, dus koester ik ze. Vandaar dat ik in paniek raakte toen mijn nieuwe wasmachine plots geluiden maakte alsof hij gemarteld werd. Of toen bleek dat ik zo stom was geweest om bij het in elkaar zetten van een kast twee planken er verkeerdom in te doen. Met pijn in mijn hart kijk ik naar de littekens van mijn wrede actie die als spijkergaten in de planken geslagen zijn. 

Dus dit is veiligheid: ongerust zijn over mijn spullen. Ik mag niets stuk maken, mag niets verwaarlozen. Ik mag niet falen. En wat als er brand uitbreekt? Wat als er ingebroken wordt? Dan heb ik niets meer, niets meer wat van mij is. 

En dat is een gekke gedachte. Want dit huis mag dan op mijn naam staan, de veiligheid ervan draagt niet alleen de sporen van mijn handen. Hoe zou ik dit ooit hebben kunnen bezitten als ik niet geholpen was? Alles hier is van mij, maar ook weer niet. Alles ligt onder mijn verantwoordelijkheid, maar ook weer niet. Ik kan onmogelijk voor alles zorg dragen. Er zijn altijd degenen die ik kan bellen over de jankende wasmachine, die mijn kast weer op de goede manier in elkaar zetten en wiens verfsporen nog op de muren zitten (sommige ernaast, maar wat geeft dat?).
Ik zou me nooit veilig hebben gevoeld als ik in mijn jeugd en de jaren daarna geen veiligheid had gekend. Nog steeds voel ik me dan ook het onbezorgdst als ik in het huis van mijn ouders ben, want daar is alles geregeld – daar is alles veilig. Het meest thuis blijf ik me wel voelen als ik omringd word door al mijn eigen spullen, maar dat maakt niet uit; ik ben er welkom. 

Dat rondje (hal – woonkamer – slaapkamer – badkamer) heb ik lang geleden ook gelopen. In ons eerste appartementje in Nederland was het waar ik mezelf vermaakte door te dralen, te draaien en mijn bewegingsvrijheid te onderzoeken. Tot er een kast werd geplaatst voor de tweede badkamerdeur in de slaapkamer, maar wat gaf dat? Ik had verder toch alles. 

De tijd verlengd
2010/07/07 08:06:55

Opeens kan ik weer slapen. Al sinds een paar weken ken ik niet meer dat eindeloze piekeren in bed of de vele minuten woelen. Ik vraag me niet meer af hoe laat het al zou zijn en geef me haast apathisch over aan tijdloosheid. Ik ken wel nog de vermoeidheid, maar dat is omdat ik ochtenden koester. Nooit word ik later dan zes uur wakker – de dagen nemen hun tijd.

Nu las ik iets waardoor ik schrok. “En hier zat ik, met een lieve, hartelijke jonge vrouw in de stoel naast me, slapend naast me (het meest vertrouwde en intieme wat je bij een ander kunt doen, denk ik weleens) en de trieste waarheid was dat de verbondenheid die ik tussen ons voelde waarschijnlijk tijdelijk zou zijn.” (Uit: De afschuwelijke eenzaamheid van Maxwell Sim van Jonathan Coe)


Dat deel tussen haakjes, is dat niet de ultieme verklaring?
Het kunnen slapen begon op het moment dat ik besloten had niet meer naast jou te slapen. Dat maakt jou tot de oorzaak van mijn slapeloosheid. Jij, die jezelf altijd op een afstand hield en zodra ik probeerde te naderen manoeuvreerde jij, ontweek je me. Waardoor ik bang werd, constant in twijfel dat ik het verkeerd deed – ik faalde. Worstelend met de vraag hoeveel ik kon geven liet ik mijn angst de nachten overwinnen. Ik deed waar ik mezelf zo vaak en lang op heb getraind: ik sloot me af. En kon (wilde) daardoor niet slapen.

Maar nee, zo is het allemaal niet gegaan. Ik wilde echt niet slapen, want slapen betekende juist het opgeven van alles wat ik had: de tijd. Ik wou geen minuut van jou naast me missen.

Een weg terug
2010/07/03 15:14:44

Ik heb mijn naam nooit mooi gevonden. De lange klinkers zijn te lijzig voor mij. Ik hou niet van de zeurderige klanken, niet van de letters of de tonen. Het klinkt lelijk, denk ik dan, want ik ben dat niet. Ik wil dat niet zijn.

Toch vind ik het soms wel mooi. Als het uitgesproken wordt zoals het hoort, met volle, korte klanken waar een zachtheid van de nasale medeklinkers in zit. De vocalen moeten kort, ze moeten stoppen op tijd. Ze moeten gevormd worden door monden die daar bekend mee zijn – Nederlanders kunnen het niet, want hun klinkers zijn vaak te lang. Daarom hoor ik het maar zelden, als ik er niet op voorbereid ben.

Het liefst hoor ik het van mannen, want zij leggen onverwachts tederheid in hun stem en daarmee in mijn naam. Vrouwen kennen geen zachte m of n: hun stemmen zijn te hoog en te hard. Mijn naam is bedoeld als muze, niet als vraag of bevel.

Ik weet nog momenten dat mijn naam mooi geklonken heeft, vooral die keer dat ik vluchtte. Hij zei mijn naam, waar een vraag, een smekende wens naar mijn geruststelling in lag, maar waar ook angst, vermoeidheid en wanhoop in verscholen zat. Zijn uitspraak was niet de lange, maar ook niet de hele korte versie: het zat ertussenin. De i en de a waren kort, als in missen en afstand, en de m en n waren zachte aanrakingen tussen delen van zijn mond. Hij kende deze klanken, zijn tong was ermee bekend: de prosodie die hij volgde was er een die in de woorden en niet de lettergrepen besloten lag. Ik schrok ervan mijn naam te horen, de geladenheid van dat moment te voelen in slechts één woord, maar verborg mijn ontdaanheid en mijn verdriet. Ik antwoordde nietszeggend en kleurloos: ‘Ja?’ en liep toen uiteindelijk weg.

Gisterochtend hoorde ik het weer. De leuke jongen achter de balie pakte een papier van een stapel op zijn bureau en reikte het me aan. Hij zei ‘nou’ en toen mijn naam. Hij zei mijn naam zoals het hoort, zoals het mooi klinkt, zoals een lied. Hij zei mijn naam terwijl ik hem die niet had verteld; hij las het van zijn scherm. Hij zei mijn naam, achteloos maar aandachtig, en ik schrok. Van de klanken, die zelden mooi klinken na elkaar, van de onverwachte intimiteit. Ondanks de schok en ondanks mijn vreugde antwoordde ik heel neutraal. Hij zei me volgende week terug te komen en ik besloot natuurlijk: ‘Dat is goed.’

115 Totaal items 1  2  3  4  5  ...  15 


Blogbottom menuOver mijbottom menuCVbottom menuContact