We leggen beiden afstanden af, we verplaatsen ons allebei. Onze voeten blijven lopen, onze horizonnen zich verbreden. We komen langs velden, bossen, steken rivieren over, bekijken wolken en zonnestralen. De grond rolt onder onze voeten, de tijd verzet zich en de rest staat stil.
Maar ik adem nooit dezelfde lucht als jij. Ik een vis, jij een vogel. Ik een dove, jij het geluid. Jouw lijf: gemaakt uit hemels zand, die van mij uit zonde. Als jij de aarde bent, volg ik de cirkel van de maan.
Ik, achter jou aan, blootvoets, oud en moe. Jij, kijkt nooit om, fiere stappen, diep en groot.
En het is niet dat ik niet harder kan of dat jij zachter moet gaan of dat we gebaande wegen in moeten slaan of dat jij wachten zou; het is ons lot dat ik achter jou aan blootvoets leeg en doods. Terwijl jij nooit kijkt hoe je stappen zich verzetten, profileerden in de grond.
Vertel me je bestemming – ik geraak er toch nooit.
Hij had maar twee gezichten. Meestal de neutrale. Zijn wenkbrauwen werpen kleurontnemende schaduwen op zijn ogen: onleesbaar, flets, ontbrekend, doods. Zijn huid steekt bleek af tegen zijn donkere haren, zijn haren zonder dartelheid, hem een ietwat serieus, arrogant en onnadenkend aanzien gevend. Meestal valt er een asymmetrie waar te nemen; de verhoudingen tussen zijn kaakbot en jukbeen links en rechts zijn ongelijk, scheef, veranderlijk. Een beetje misvormd, onboeiend, onknap, onbijzonder – zo is hij.
Maar dan lacht hij en dit is wat je de hemel openbreken noemt, al heb ik dat nooit begrepen, want de lucht is datgene wat openbreekt en de hemel datgene wat zichtbaar wordt, dat paradijselijke waarvan je niet wist dat het bestond. Zijn mond verbreedt zich, trekt aan zijn wangen, neemt ze mee en laat de huidplooien toenemen, hem sympathiek en liefdevol makend. Zijn ogen vernauwen zich schertsend maar vrolijk, speels en afwijkend. Plots wordt hun de mogelijkheid gegeven het licht te vangen. Ze schitteren, ze stralen, fonkelen en kleuren fel en blauw, want dat zijn ze – blauw.
En ik kan nergens anders naar kijken. Gebiologeerd door spierbewegingen van zijn gezicht, van die metamorfose van saai naar Mooi, Bijzonder en Schitterend en ik wil niet dat hij ophoudt. Dat ik stop met staren. Zoveel mogelijk aardbevingen zien, veranderingen, beweeg me. Ik wil blijven praten, alles zeggen wat hem kan doen laten lachen, want er is niets anders wat ik zien wil dan hem zien lachen, dus lach ik zelf, opdat hij mee zal lachen en me steeds zienderogend zal blijven verbazen, lachend.
En de hemel betrekt, want afscheid moet ik nemen. Dus als ik voor hem sta, zeg ik uitgelaten tot ziens en glimlach breed, wacht tot hij me spiegelt en voordat hij het andere, onbetekenende gezicht weer aan heeft kunnen nemen, draai ik me om en snel weg, snel, het beeld herdenkend, zodat dat is hoe ik me hem herinner – lachend.
Lach voor me, zeg ik dan, in gedachten, waar hij verschijnt, mijn hemel bedekkend.
Ik las zesendertig artikelen, ik vatte er tweeentwintig samen. Ik begon te typen, verbond de ideeën aan elkaar. Ik somde de functies op van metaforen, beschreef hoe ze effectief te gebruiken. Vervolgens paste ik ze toe op wat nog niet onderzocht was en onderbouwde zo mijn eigen theorie. Ik schreef ingewikkelde zinnen, gebruikte woorden als conceptuele metaforische structuren, vehicle en tenor. Ik maakte paragrafen, een conclusie en een literatuurlijst. Ik bedreef de wetenschap alsof het een steriele liefde was: secuur, bedachtzaam, rationeel.
Ik had gelopen. Ik had geknarst. De grond mijn gewicht gegeven. Ik had mijn voeten meegedragen. De sporen liet ik achter.
Zo vaak heb ik er gelopen, maar me herinneren of het pad ooit zo uitgestorven wit geweest was kon ik niet. Er hadden mensen geweest kunnen zijn, maar sporadisch waren sporen te zien. Verder was ik de eerste, de enige. Dan was er voor me een leegte en achter me ook, opgevuld met mijn schim die me achterna zat.
Maar mijn stappen deden ertoe, want een kwartier later liep zij daar. Ze zag mijn sporen, ze herkende mijn profiel. Ze koos mijn route, gelijk aan die van haar. Ze had me nooit nodig gehad. Maar mocht ze het niet weten, dan had ze mij kunnen volgen. Ik had de leegte beschreven en zij was de enige die het lezen kon. Ze ontcijferde mijn boodschap; ze wist dat ik daar had gelopen. Ze las, al wist ze wat er geschreven stond.
Hij begon er eigenlijk mee en nu zit het altijd in mijn hoofd. Nadat hij me zoals zo vaak een detail uit zijn werkdag verteld had (dat hij aan iemands gebit had gezien dat ze zwanger was), zei hij plots iets als: ‘Wel grappig eigenlijk, dat ik zeg dat ik tandarts ben en dat jij dat gelooft, terwijl ik ook totaal iets anders zou kunnen zijn. Dat ik maar doe alsof.’ Ik giechelde, zoals ik altijd doe bij hem. Vervolgens beaamde ik dat hij het dan wel zeer overtuigend speelde, met al die boeken, mappen en papieren beschreven met termen als endoscopie, ACTA, boren en vullingen, met al zijn rondslingerende spullen (kindertandenborstels, vierentwintig dozen tissues die hij goedkoop bij de leverancier kon krijgen, twee elektrische tandenborstels en werkroosters) en met al zijn verhalen (hoe sommige patiënten die van een andere praktijk naar hem overstappen belachelijk veel gaatjes hebben, hoe hij en zijn assistentes nieuwe kleding hadden uitgezocht en hoe het komt dat het zo koud voelt als je een gaatje hebt). Ik dacht er toch nog even over na, maar besloot dat het niet mogelijk was dat hij een ander leven voor me verborgen zou kunnen houden. Dit was allemaal echt, hij. Vervolgens lachte ik om mezelf, dat ik er serieus over nadacht dat hij misschien iets of iemand anders zou kunnen zijn dan hij zei hij was – zoiets gebeurt alleen in films en series. Maar die heb ik te veel gezien. Dus ik stopte niet met nadenken. Integendeel. In gedachten gaf ik hem ontelbaar veel tweede levens.
Hij is al een seriemoordenaar geweest. Net zoals Dexter schuilt in hem die onvermijdelijke drang naar het eindigen van levens, met een ziekelijk, maar ergens begrijpelijk, genoegen dat hij daaruit haalt. Maar toen hij met zijn slagersmes peultjes ging snijden, merkte ik helaas dat hij niet extreem handig was. Dat kon echter juist een reden zijn om hem te verdenken, want een goede moordenaar laat zijn vaardigheden niet zo makkelijk blijken. Of het is zo dat niet messen, maar andere voorwerpen zijn moordwapens zijn. Dezelfde hulpmiddelen als die hij voor zijn dekmantel gebruikt: boren en anesthesiespuitjes en alle andere potentiële tandheelkundige moordinstrumenten. Hij is al een drugsdealer geweest. Maar dat leek me te afgezaagd, dus ik dacht meer aan autodealer. Eentje die illegaal auto’s verscheept uit China en aan gluiperige zakenmannen verkoopt (moet vast wel kunnen op de een of andere manier). Vandaar dat hij, terwijl hij pas een paar maanden als tandarts claimt te werken, net een gloednieuwe auto gekocht heeft. Althans, beweert gekocht te hebben dus. Hij is al tandartsassistent geweest. Te beschaamd voor zijn ‘minderwaardige’ functie doet hij zich echter aan mij voor als volwaardig tandarts. Terwijl hij in de praktijk vullingen en boren aangeeft en afsprakenkaartjes invult, pikt hij de verhalen van de echte tandartsen in en vertelt ze vervolgens aan mij. Hij doet alsof hij zelfverzekerd en machtig is, maar ondertussen heeft hij zijn baas nooit met ‘je’ aangesproken en zorgt hij ervoor dat iedere medewerker in de praktijk zijn koffie geserveerd krijgt in zijn of haar favoriete mok. Hij is al lid geweest van een geheime sekte, bestaande uit extremistische tandartsen die speciale stofjes of chips in vullingen stoppen die de hersenen aantasten en je denkwijze geleidelijk beïnvloeden. De tandartsen willen de wereld overnemen namelijk. Deze geheime club komt eens in de week samen en dan bespreken ze sneakier manieren om door te gaan met hun indoctrinatie, terwijl ze overleggen wie ze nog meer in hun club kunnen verwelkomen. Om hun groeiend succes te vieren ontkurken ze aan het begin van iedere bijeenkomst een fles champagne en zodra hun glas leeg is, zetten ze allemaal hun wekker voor over twee uur. Zodra de alarmen afgaan, pakken ze gezamenlijk hun tandenborstels en poetsen dan hun tanden (het zuur tast pas na die tijd niet meer het tandglazuur aan). Wie zich niet houdt aan deze regel, is in het vervolg niet meer welkom. Hij is - mijn favoriet - al een geheim agent geweest. Op de geheime dienst van Nederland bestond het vermoeden dat er een paar terroristen-in-spe op de praktijk waar hij werkt rondlopen en hij is degene die alle inside-informatie moet verkrijgen. Binnen twee maanden kreeg hij een nieuwe naam en een nieuw verleden en volgde een spoedcursus tandheelkunde. Als hij in de praktijk staat, is hij meer bezig met hoe hij zich moet gedragen dan met hoe het zijn patiënten vergaat – vandaar dat hij laatst zo goed alle merken horloges die tandartsen dragen op kon noemen. Hij heeft de hardheid van Tom Quinn en de charme van Adam Carter, maar bezit tevens de geilheid van beide Spooks-personages. En op een gegeven moment werd ik zo enthousiast over dit spel dat iedereen ongemerkt slachtoffer werd. Mijn zus is al een gokverslaafde geweest, mijn studiegenootje een hoer en de postbode de uitvinder van het douchegordijn die gek werd van alle media-aandacht en daarom incognito leeft. Het is zodanig verslavend dat ik nu constant in iedereen op zoek ben naar afwijkende handelingen, aanwijzingen die me een richting op kunnen sturen, ‘foutjes’ die me kunnen laten merken wie al die personen echt zijn. Van alles wat me maar kan voeden in mijn fantasieën. Loverboys, een heimelijke schizofreen, vampieren, ex-gedetineerden of mensen die altijd twee onderbroeken dragen – iedereen kan alles zijn.
Psychologen zouden het erover eens zijn dat mijn fantasieën over de mensen om me heen voortkomen uit een innerlijk verlangen. Dat ik waarschijnlijk identiteitsproblemen heb, dat ik anders zou willen zijn, iets of iemand anders. En dat is waar, want ik weet niet wie ik ben. Al ben ik in gedachten alles al geweest. Een martelaar, een ninja, een - mijn favoriet - geheim agent, een paaldanseres, een elf, een melkpoederverslaafde of de hoofdpersoon van The Mina Show. Het is heerlijk me te bedenken wat er zou gebeuren, hoe ik zou handelen, hoe het verhaal af zou lopen, hoe alles anders zou kunnen zijn. Al is het verlangen niet de enige reden. Door op deze manier te verzinnen, door telkens te fantaseren over geheimen van anderen, ben ik de schepper. Ik creëer, ik maak alles wat ik wil. Want het allerliefst, het allervaakst, het allermeest, ben ik God.
Terwijl de voicerecorder de middag herbeleeft, typ ik driftig, snel, aandachtig. Altijd is er geruis, altijd zijn er een paar onhoorbare zinnen. Altijd ben ik genoodzaakt sommige passages een paar keer te beluisteren omdat er veel meer gesproken woorden in secondes kunnen dan getypte letters. Altijd zijn er momenten waarop mijn vingers gespannen hangen boven de toetsen, klaar om weer aan te vallen als het nodig is. Omdat het stil is, omdat het irrelevant is, of omdat ík praat.
Ik beschrijf hen, telkens opnieuw. Mijn taak is hun woorden om te vormen tot een verhaal dat gelezen wil worden. Zij zijn vertellers, ik de vertaler. Zij zijn vastgelegd op band tot ik hen vastleg op papier (eerst op het beeldscherm dan). Maar soms ben ik net als hen, op die momenten dat ik praat en geen vragen stel. Tussen hun zinnen door, als zij vragen, als zij luisteren, als zij even de leiding nemen. Plots verandert dan alles en word ik gedefinieerd. Ik zal waarschijnlijk nooit zelf degene zijn die het meeste praat op zo’n band en waar over geschreven gaat worden, maar stiekem is mijn hele verhaal al vastgelegd, tussen mijn vragen en hun antwoorden door, tijdens elk interview dat ik tot nu toe afgenomen heb. Ik ben al geïnterviewd door iedereen die ik geïnterviewd heb.
Wat vind je het leukst? Het schrijven of het interviewen? Je bent een echte schrijver volgens mij. - Schrijven vind ik leuk, het leukst, omdat ik het als een soort van puzzelen zie en de puzzel kan nooit compleet, perfect worden, maar ik kan er een eigen interpretatie van geven. En werk je het dan meteen uit of laat je het even liggen?
- Euhm, wel meteen, want dan vergeet ik zeker niets. Ik ben wel iemand die weinig schrijft tijdens interviews, maar ik kan dat niet. Ik kan niet luisteren, praten en schrijven tegelijk.
- Oh maar ik wil geen kinderen. Waarom niet? Wat een gekkigheid! Je bent toch een vrouw?! - Nou, ik heb geen redenen om een kind te nemen. Dat komt later misschien. - Wat voor redenen zouden dat moeten zijn? Het zijn alleen maar biologische redenen. Vrouwen hebben dat heel sterk. - Maar dat vind ik een onzinreden. Maar als je lichaam dat heel sterk voelt... Als je moet plassen, moet je plassen. Dat is een diepere natuurdrang. Komt misschien nog wel.
Ik ben sowieso wel een prater. Als ik zou moeten kiezen tussen een middagje praten of een middagje schrijven, zou ik kiezen voor praten. Schrijven is echt werken. - Oh ik echt niet! Ik zou kiezen voor schrijven.
- Ja, het lijkt mij zeker wel interessant om ook zoiets te gaan doen. Ik vind het sowieso leuk om dingen aan mensen te leren. Ok, dan kun je je dus zeker inschrijven op onze site!
Hoe lang woon je hier al? -Vanaf mijn zesde.
Je spreekt uitstekend Nederlands. En jullie zijn gevlucht? - Ja. Om welke redenen? - Om politieke redenen.
Wat kan ik te drinken voor jullie inschenken? - Thee, graag. Twee thee alsjeblieft. En vind je het goed als ik ook een broodje bestel? - Ja, hoor, natuurlijk. Ja, ziet u, ik moet het haar vragen, omdat ik mijn portemonnee vergeten ben. Sorry, hoor. - Haha, helemaal niet erg.
Hier onder de grond is de enige plek waar ik me in het westen wanen kan. De lucht is koeler, de geluiden van de straat verstomd. De metrostellen, de tegels op de muren, de omroepstemmen en de toegangspoortjes vormen een scherp contrast met de krakkemikkige chaos van het bovengrondse Teheran. Zo’n strak vormgegeven omgeving en organisatie is typerend voor steden uit het westen, niet voor deze stad die evenveel mensen herbergt als heel Nederland dat doet. Totaal anders zijn de bussen met hun oorverdovend geronk, keiharde stoelen, voortdurend getoeter en aparte vrouwen- en mannengedeeltes. Al heeft de metro ook aparte vrouwencoupés. Vrouwen kunnen daar gaan zitten of zich tussen de mannen mengen. Meer segregatie was vanuit praktische overwegingen (lange metro’s, veel volk) niet mogelijk. Meer bescherming van mannen tegen vrouwen of vrouwen tegen mannen (ik ben er nog steeds niet achter wat het is, maar welke van de twee het ook is, ik behoor altijd tot de onderdrukte groep) was hier onuitvoerbaar.
Met Blof in mijn oren overstijg ik de ruimte, kan even pretenderen dat alles Nederlands is. Alleen blijft mijn sjaal kriebelen onder mijn kin en naar achter glijden op mijn hoofd, maar het blauw blijft mijn gezicht braaf omhullen, zoals ik in de kromming van het raam voor me kan zien. Links van me staan een man en een jongetje. Het zoontje pakt zijn vaders hand. We bevinden ons op hetzelfde oogniveau – ik zittend, hij staand. Schuw kijkt hij me met zijn kleine oogjes aan vanonder zijn groene muts. Ik kijk op. Verlegen draait hij zijn hoofd weg. Ik glimlach. Speels draai ik mijn hoofd weer weg. Tot ik voel dat hij weer naar me gluurt. Dan kijk ik weer, glimlach. Dit quasigeflirt met een kleuter herhaalt zich een aantal maal, waarbij ik soms even een gekke bek trek en hem giechelen laat.
Het kleine jongetje is niet de enige die me bekijkt. In de stoel recht tegenover me zit een jongen. Zijn uitzicht ben ik. Al zou hij ook naar zijn spiegelbeeld, mijn schoenen of mijn moeder rechts van me kunnen kijken, maar ik voel zijn ogen gebrand op mij. Als ik per ongeluk mijn blik met de zijne kruizen laat, beweegt hij zijn mond, lijkt woorden te vormen. Verward haal ik een oordopje uit mijn linkeroor, kijk vragend en mompel: “Wat?”. Hij zegt niets meer, kijkt me alleen maar aan. Ongemakkelijk stop ik mijn muziek weer in mijn oor en vestig mijn aandacht maar weer op mijn zesjarige flirt.
Toch blijf ik zijn ogen voelen. Zelfs als de metro voller raakt en er meer mensen tussen ons in gaan staan, zie ik zo af en toe tussen de wiegende en bewegende ledematen door hoe zijn ogen gefixeerd zijn op mij. Dan zie ik ook iets anders. In zijn hand houdt hij een papiertje, erop een paar nummers, duidelijk voor mij te lezen. Ze zijn bedoeld voor mij. Ik lees ze niet.
Al overweeg ik het wel. Om te doen alsof ik de nummers onthou, omdat ik ze later in zal gaan toetsen op mijn telefoon. Om hem dan een knipoog te geven of wulps te glimlachen. Of om bij het naar buiten gaan vlak langs hem te lopen en het papiertje aan te nemen. Gewoon om eraan meegedaan te hebben. Aan de ‘liefde’ hier in Iran. Omdat het hier zo gaat, zo stiekem, zo geheim. Omdat hier verliefdheden ontstaan door vunzige blikken en heimelijke briefjes. Omdat jongens en meisjes elkaar op weinig andere manieren kunnen leren kennen. En ik kan er nu aan meedoen, me zo’n meisje wanend, voor me zo’n jongen, in deze omgeving die vreemd vertrouwd voelt. Maar waar de mensen, mijn hoofddoek en de wagon rechts van me vol met vrouwen me eraan blijven herinneren dat ik hier niet in het westen ben. Juist daarom doe ik het niet. Zo ben ik niet. Mijn zelfrespect bestaat eruit dat ik er niet op inga als iemand zonder me te kennen avances maakt. In Nederland niet, dus hier ook niet.
Als we bij onze halte zijn, sta ik op en geef een laatste knipoog aan het schuwe jongetje. Hij kijkt blozend voor de laatste keer weg. Ondeugend maar onschuldig. Tot hij over een aantal jaar deze blikken niet meer kent. Dan wisselt ook hij geile blikken uit met meisjes, omdat het hier nou eenmaal zo hoort. Ondertussen denk ik dan dat ik het zoveel beter doe, nooit ingaand op geflirt met vreemden, me stortend in westerse liefdes zonder vernedering of onderdrukking, gelovend dat de manier waarop ik mijn zelfrespect behoud de enige gezonde is.
Hypocriet die ik ben. Natuurlijk was ik gevleid door de aandacht die ik kreeg.