Een twijfelachtige bevrijding

Tijdens haar vorige relaties was Marise zo open mogelijk geweest: na elke onzekerheid, elk moment van twijfel, zei ze wat ze dacht en voelde. Ze had het idee dat de relatie er beter op zou worden. Maar telkens kwam het erop neer dat zij veel praatte, vertelde dat ze niet wist of ze oprecht van de ander hield. Het kon ook allemaal maar een constructie zijn, want hoe wist hij zeker dat hij bij haar wilde zijn als zij niet wist of ze exclusief van hem kon houden? Telkens kreeg ze als antwoord voornamelijk stilte en vervolgens afwijzing: niemand wilde bij iemand blijven die nooit zeker wist of ze dat wel wilde.

Toen ze Jelle ontmoette en erachter kwam dat hij haar twijfels deelde, voelde Marise voornamelijk opluchting. Ze hadden zo nu en dan intens serieuze gesprekken over dat ze niet wisten of ze wel echt om elkaar gaven. Of dachten ze dat maar omdat ze niet alleen wilden zijn? En hoe wisten ze of ze elkaar echt hadden gemist na een paar dagen eenzaamheid? Was het dan niet slechts verlangen geweest naar seks en het idee van liefde?

Voor Marise voelde deze relatie als een bevrijding. Ze had het idee eindelijk oprecht te kunnen communiceren met iemand. Niet meer zwijgen als antwoord, niet meer weglopen als oplossing. Telkens weer kreeg ze bevestiging van haar eigen gedachten en werd het idee gevoed dat de twijfel terecht was. Het enige waar ze mee zat was de frequentie van hun gesprekken: maar eens in de paar weken praatten ze op deze overdreven serieuze toon met elkaar.

De rest van de tijd vulden ze vooral met uitingen van een heel ander soort. Langzaamaan was er ironie in hun relatie geslopen. Het had hun taal zo aangetast dat ze niet rechtstreeks konden zeggen wat ze bedoelden. Omdat ze zich beiden hadden gekeerd tegen de vanzelfsprekendheid waarmee anderen liefhadden, kozen ze samen voor deze makkelijke vorm van humor. Ze konden er hun eigen positie mee bevestigen. ‘Wij twijfelen constant,’ leken ze te willen zeggen, ‘dus wij kunnen banale liefdesuitingen bespotten.’

Zo was Jelles favoriete grap om ‘Oh, ik hou zoveel van je’ uit te roepen op een overdreven zwijmelende toon, met miniem, maar duidelijk hoorbaar sarcasme. Dit deed hij op de momenten die iedereen als romantisch zou bestempelen, bijvoorbeeld bij hun afscheid in de ochtenden. De belachelijkheid van de situatie (een herhaling van voor iedereen bekende scènes met twee arbitraire deelnemers) werd benadrukt, waar zij dan samen om konden lachen. Ze versterkten dit verbond door zich met zijn tweeën in het openbaar af te zetten tegen anderen. Een keer was een gezamenlijke vriendin hen samen tegengekomen en had uitgeroepen: ‘Ik wist niet dat jullie wat hadden!’ Daarop had Jelle, met zijn ogen rollend, geantwoord: ‘Oh nee, ik ben vergeten mijn Facebook-status te veranderen!’

Natuurlijk vond Marise dit in eerste instantie wel humoristisch. Maar hoe langer het voortduurde, hoe meer ze doorkreeg dat Jelle en zij vastzaten in wat zij eerder als een verademing had gezien. Alles wat ze zeiden was of ironisch of veel te serieus.

Het begon haar te beangstigen. Ze vreesde steeds meer voor verborgen betekenissen. Hoe vaker Jelle ironisch deed, hoe meer ze hem ervan verdacht eraan te twijfelen of zijn twijfel wel bestond. Was elke keer dat hij een van zijn grapjes maakte niet een manier om te verbergen dat hij daadwerkelijk veel om haar gaf? Exclusief, alleen om haar, omdat zij hem begreep. Nu hij in haar zijn gelijke had gevonden, leek de twijfel weggevaagd.

Marise zag het verval, zag hoe hij stiekem bleef verlangen naar zekerheid. Zelf wilde ze niets liever dan voorbij de twijfel gaan, maar ze wist niet meer of het de juiste keuze zou zijn om te zeggen dat hun twijfel hen bijeen had gebracht en dat ze daarom samen moesten blijven. Dit benoemen werd problematisch: nu hun woorden in ironie waren gesmoord, leken er geen mogelijkheden meer te zijn om oprecht met elkaar te communiceren.

Ze was zo erg bezig met deze vragen dat ze totaal verstomde. In haar gedachten gevangen verloor ze uit het oog wat ze zou moeten doen om dat stadium tussen ironie en doorgetrokken serieusheid te bereiken. Naar oplossingen leek ze niet op zoek. Meermaals vroeg hij haar: ‘Wat is er?’, als ze stil en teruggetrokken was. Ze greep nooit de gelegenheid aan en zei wat ze niet bedoelde: ‘Niets.’

9 reacties

Filed under Geliefd, Gestild, Verhaald

Een keer iets anders

Iets uit mijn scriptie (vanwege een gebrek aan fictie).
De apostrophe: een stijlfiguur waarbij iemand zich afwendt van het publiek waartegen hij spreekt om iemand aan te spreken die niet eens aanwezig hoeft te zijn. Bijvoorbeeld in een politieke toespraak, wanneer de spreker plots zijn tegenstander aanspreekt terwijl het publiek dat voor hem staat de aanhangers van zijn eigen partij zijn. In poëzie gebeurt dat ook: de spreker richt zich eigenlijk tot het publiek, maar kan ook iemand anders aanspreken, bijvoorbeeld zijn geliefde of een levenloos object als de maan.

Op het derde niveau waarop de apostrophe werkt, is het ‘a way of constituting a poetical persona by taking up a special relation to objects’ (Culler 146).
Het vormen van dit zelfbeeld gaat uit van het volgende idee: ‘wanneer er een “jij” aangesproken wordt, is er altijd een “ik” geïmpliceerd. Er wordt niet zozeer aangeroepen, als wel uitgeroepen’ (Van Alphen 28). Aangezien in de lyriek altijd anderen dan het aangesproken object aanwezig geacht worden (de lezers of de toehoorders), creëert het lyrisch subject altijd een zelfbeeld tegenover diegenen, wat Culler de ‘poetical persona’ noemt.
Hoe deze ‘poetical persona’ bewerkstelligd wordt laat het gedicht ‘Voor een dag van morgen’ van Hans Andreus zien. De dichter spreekt zijn geliefde aan en draagt haar op over zijn liefde voor haar te vertellen als hij doodgaat. Het gedicht eindigt als volgt:

‘Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven
dat alleen maar een man alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.’

Het lyrisch subject heeft hiervoor zijn geliefde opgedragen onder andere de bomen, wind, maar ook huizen en de stad te vertellen hoeveel hij van haar hield, maar verbiedt haar hierover te praten met andere mensen. Hij verbreekt echter zelf deze belofte door dit gedicht, door het uiten van deze versregels. Het lyrisch subject weet zelf ook dat een gedicht gelezen wordt door lezers, die altijd menselijk zijn. Zo is hij in staat zichzelf te manifesteren als een dichter die wel zijn liefde in een gedicht kan en wil tonen.
Daarnaast heeft zijn opdracht aan zijn geliefde iets paradoxaals waarin ook het tweede niveau van de apostrophe teruggezien kan worden. De geliefde mag wel tegen levenloze objecten praten en ze zo dus met een apostrophe aanspreken. Hoewel zij weet dat ze niet zullen antwoorden, zal zij ze moeten proberen te personifiëren. Zowel het lyrisch subject als de geliefde, als de lezer van dit gedicht weten dat zij geen antwoord of sympathie zullen krijgen. Tegen de enigen waarbij de geliefde wel zo’n reactie op zou kunnen roepen, wordt ze opgedragen te zwijgen – de apostrophe mag ze dan niet gebruiken. Zo wordt de onmogelijkheid van de apostrophe om afwezige objecten aanspreekbaar te maken ingezet in dit gedicht. Alleen het lyrisch subject zelf is degene die niet zwijgt en die zich dus via een poëticale stem manifesteert.

13 reacties

Filed under Geen categorie

Litteken

Met de naald ging ze onder haar vingernagels door, diep genoeg zodat het brandde. Dit prikte niet. Zoals zij het deed brandde het. Er ontstonden kleine bloeduitstortinkjes, een diepe, paarsrode kleur verspreidde zich. Gefascineerd bleef ze ernaar staren. Ze legde de naald weg en drukte met de vingers van haar rechterhand op de vingertoppen van haar linkerhand. Nog meer druppels ontstonden. Weer pakte ze de naald en dit keer prikte ze een paar keer. Elke druppel was een opluchting. Nu hield ze met haar linkerduim en –wijsvinger elke vinger van haar rechterhand even vast en drukte. Haar wijsvinger duwde op de nagels, haar duim op de vingertoppen.

Toen ze haar handen gewassen had en het bijna niet meer bloedde, pakte ze haar donkerrode nagellak en even secuur als de vorige handeling lakte ze haar nagels. Ze blonken op.

Haar voetzolen had ze verbrand. Secondenlang had ze met de aansteker ertegenaan gezeten. Kalm, terwijl haar enkel op haar knie rustte had ze haar hand naar haar voet bewogen. Eerst voelt het even aangenaam, lekker warm. Dan houdt zelfs het eelt het vuur niet tegen. Een gele vlam, roze huid, rode plekken. Ze pakte een schroevendraaier. Een grote, wat dikke. Met haar voet nog op haar knie hield ze de schroevendraaier in het vuur. Ook haar vinger brandde lichtjes. Daarna bracht ze de schroevendraaier naar de zachte plek van haar voet. Dat stuk dat nooit de grond aanraakt, het zwevende deel. Ze drukte één keer, een paar seconden, en dan een tweede keer. Totdat het te koud werd. Weer opnieuw de aansteker aan. Andere voet, ander patroon.

Daarna: sokken aan, schoenen aan.

Meer dan honderd keer had ze nu al de beweging gemaakt met haar borstel. Steeds maar weer over hetzelfde plekje. Ze staarde naar de tv terwijl haar hand mechanisch bewoog. Het was niet zeker of ze elke keer even hard bleef drukken, maar bij elke borstelslag schuurde haar huid meer en meer open. Er zouden nu zeker bloeddruppels tussen haar donkere haren verschijnen. Een spoor van de kammetjes zou zich over haar schedel uitspreiden.

Als ze alleen was bond ze haar haar strak vast. Naar achter gekamd, de huid werd getrokken. Anders hing het los, haar ogen en haar jukbeenderen bedekkend.

Het was zomer, maar ze dronk thee. Meteen nadat ze het uit de thermoskan in haar mok had gegoten bracht ze het naar haar lippen. Binnen een paar slokken was het weg.

De zon brandde buiten op de stoeptegels. Kinderen schreeuwden om een ijsje.

Als ik hier geen woorden plaats komt er ook geen witregel

Ze deed zijn deur voor de laatste keer achter zich dicht. Ze had zoveel van hem gehouden. Hij ook van haar, maar alles was voor hem nu verleden tijd. Zelfs haar lichaam zou hij nu nooit meer zien. Niet nu hij het had gezegd. Hij had haar de meeste pijn bezorgd. De grootste opluchting, dat was dit. Alles brandde, alles bloedde, alles knelde, alles schuurde. Maar geen spoor van bloed of tranen zou zij achterlaten. Zelfs geen snik of schreeuw weergalmde door de straten.

4 reacties

Filed under Geliefd, Gestild, Verhaald

In zoverre

Een paar dagen daarna had ze het idee dat ze erop terug moest komen. Hij moest weten hoe zij het bedoelde.
‘Wat ik de vorige keer zei over dat ik bang ben dat jij opeens geen contact meer met me zult willen als je iemand anders vindt… Dat was niet bedoeld om jou te beïnvloeden, in de hoop dat als ik dat nu zei je je er bewust van werd en het niet zou doen. Ik wilde het alleen zeggen. Ik had er geen verborgen agenda mee of zo.’
Hij antwoordde wat ze eigenlijk wel verwachtte: ‘Dat weet ik toch,’ en hij glimlachte.
Daarmee was dat onderwerp afgedaan. Haar doel was openheid geweest, oprechtheid in zoverre ze konden bereiken. Zij had gezegd waar ze mee zat en hij had dat begrepen. Er was het vertrouwen om zo openlijk tegen elkaar te zeggen wat ze dachten, maar ook de pijn dat zelfs dit nooit genoeg zou zijn; tussen hen zou het volgens hem nooit werken.
Toch bleef ze bang voor die verborgen agenda. Wist ze zeker dat ze er verder niets mee bedoelde? Ze wist dat hij niet over te halen was om bij haar te blijven, maar ze wist ook dat ze toch manipulatief kon zijn; zij kon hem beïnvloeden om haar helemaal los te laten. Was datgene wat ze had gezegd niet een imperatief geweest: vind iemand anders en vergeet me alsjeblieft – ik zal het niet erg vinden, ik begrijp het. Terwijl ze eigenlijk alles wilde behalve vergeten worden. Juist niet. Maar ze dacht dat er maar één manier was voor hem om te geloven dat hij gelukkig was. Liever wilde ze vergeten worden, maar dan wel helemaal en met haar volledige toestemming. Vind iemand anders en vergeet me alsjeblieft. Volkomen.

15 reacties

Filed under Geliefd, Verhaald

Een legendarische herhaling

Ze walgde van het mooie dat ze voelde, van de goedkope verliefdheid die iedereen wel eens zal ervaren – hoe weinig romantisch was het als je hield van iemand die je maar één avond hebt gekend? Hoe stompzinnig was het als je plots zou willen dichten en als romantische films je opeens hevig raakten? Ze verviel in platitudes, maar ze kon simpelweg niet ontkennen dat ze constant naar die onbekende verlangde, dat haar hart hevig brandde. Zo erg dat haar leven verstilde.

Zij had dit opgeblazen. Haar liefde was grotesk in zijn banaalheid. Maar haar leven werd er wel door bepaald – liet ze erdoor bepalen. Ze kon met niemand anders samen zijn, zo had ze besloten. Oh nee, ze kon echt van niemand anders houden. Haar hart behoorde alleen hem toe – liet ze alleen hem toebehoren.

Het lange gesprek dat ze met hem had gevoerd (over films, boeken, toekomstdromen en andere al zo vaak herhaalde gespreksonderwerpen), zou ze met zoveel anderen kunnen voeren. Dat wist ze. De kus had ook iemand anders haar kunnen geven, iemand anders die haar ook gelukkig had kunnen maken. Maar ze vond haar verliefdheid te intens. Zoiets had ze nooit eerder ervaren, toch?

Als ze ervoor zou kiezen om dit gevoel op te geven, om hem te vergeten, zou ze erkennen dat de heftigheid slechts schijn zou zijn. Als ze iemand anders zou vinden waar ze hetzelfde voor voelde, betekende dat niets meer dan dat liefde vervangbaar was, dat haar gevoel herbruikbaar was. Zoiets wilde ze niet bekennen.

Het was haar eigen keuze aan hem vast te blijven houden, dat wist ze. Zijzelf riep het verlangen op; het kwam niet voort uit iets van binnen in haar of uit een of andere kracht van buiten. Toch wilde ze dat ze haar gevoel kon wijten aan een metafysische kracht of een op zichzelf staand, autonoom gevoel. Als alleen zijzelf schuldig zou zijn, moest ze erkennen dat haar liefde van weinig waarde was. Het zou niets meer zijn dan een teleurstellende herhaling. Dus maakte ze van die avond een grootse legende die haar voortaan vorm zou geven, die ervoor zorgde dat ze zich niet meer hol en onbetekenend voelde.

Dus natuurlijk zocht ze hem nooit. Sterker nog: ze vermeed hem – een onbekende – zo goed als ze kon. Ze verhuisde weg uit de stad, googlede zijn naam nooit en vertelde niemand over de ontmoeting. Erop rekenend te zullen sterven in dezelfde omstandigheden als die waarin ze zich nu bevond, zou haar hele leven een keuze van eenzaamheid zijn. Meer nog dan de teleurstelling van de herhaling van haar gevoel, was ze bang dat hun samenzijn zou tegenvallen. Ongeacht of hij in werkelijkheid wél van haar hield en haar al die jaren zou zoeken, wist ze: zijn liefde zou altijd onbevredigend zijn. Alleen haar eigen verlangen, alleen zijzelf, vulde haar gemythologiseerde leegte op.

10 reacties

Filed under Geliefd, Verhaald

Schouderkusjes

Vaak genoeg viel hij in slaap terwijl haar hoofd nog op zijn arm lag en haar hand op zijn borstkas rustte. Voor hem was dit kennelijk een prima slaappositie; zelfs als hij even bewoog en zij meteen bereidwillig haar hoofd optilde om hem de mogelijkheid te gunnen zijn arm weg te schuiven, bleef zijn arm in die houding liggen. Voorzichtig liet ze haar hoofd dan weer op zijn ondersteuning zakken.

Andere keren lagen ze lepeltje-lepeltje naast elkaar en genoot ze van zijn foetale omhelzing. Ze vond het vooral fijn om met haar rug naar hem toe te liggen vanwege de kusjes die hij op haar schouder gaf. Altijd voor het slapen gaan minstens één, maar soms ook midden in de nacht, als hij zich even omdraaide en zijn lichaam naar haar toeschoof.

Ze had dat hem eens een keer gezegd, hoe schattig en fijn ze dat vond. Hij bekende toen die kusjes niet eens bewust te geven. Hij kon het zich in ieder geval niet herinneren. Linde was toen vertederd geraakt. ‘Wat lief!’, had ze uitgeroepen, maar hij had haar toen wat afstandelijk aangekeken. Ze had dat niet begrepen, totdat ze zich later besefte hoe hij het interpreteerde: hij dacht waarschijnlijk dat zij het lief vond omdat ze het als een uiting zag van zijn liefde voor haar, iets wat zelfs in een onbewuste staat geopenbaard werd. Maar de betekenis die Linde aan zijn handeling toeschreef was totaal anders en volledig onpersoonlijk. Als iemand sliep kon je vaak diegene leren kennen door hoe hij lag of bewoog. Sommige mensen rolden abrupt en onrustig heen en weer, anderen bleven de hele nacht op één plek liggen. Ze vond echter niet zozeer dat zulke analyses een Freudiaanse basis hadden; het was niet zo dat het onderbewuste naar boven kwam tijdens de slaap. Velen gedroegen zich in de nachtelijke uren gewoon hetzelfde als overdag en anderen veranderden enigszins omdat ze hun spanningen lieten varen. En iemand die haar in zijn slaap kusjes gaf, moest wel een lief persoon zijn. Voor haar waren die kusjes niet meer dan een bevestiging voor haarzelf: ze deed er goed aan zoveel om zo iemand te geven.

4 reacties

Filed under Geliefd, Verhaald

Heldhaftige woorden

Ik heb mezelf nooit moedig gevonden. Maar eigenlijk heb ik hier nooit daadwerkelijk over nagedacht. Ik dacht er ook niet over na waarom ik er niet over nadacht. Wellicht omdat mijn daden dan niet meer onbewust zouden zijn; vanaf het moment dat ik mezelf of iets wat ik deed als ‘moedig’ zou classificeren, zou ik misschien alleen maar handelen vanuit het idee dat ik heldhaftig en onverschrokken was. Dan zou geen enkele daad meer oprecht zijn, er zou een zelfzuchtige reden voor zijn.

Al vraag ik me af of dat ertoe doet. Gaat het om mijn daden of gaat het om mijn motivatie? Zullen de mensen die al mijn woorden van protest hebben gelezen zich afvragen waarom ik ze schreef? Dat geloof ik niet. Ze zijn de afgelopen jaren te veel bezig geweest met de monsterlijke wereld om ons heen om zich druk te maken over de drijfkrachten van individuen. Ze willen alleen maar verbetering, ze willen in dit land ook eens het geluk voelen.

Toch hebben zij me allemaal moedig gevonden. Ik was degene die in opspraak kwam, ik heb constant geprotesteerd. Ik heb talloze pamfletten, essays en brieven vol venijn geschreven tegen het opkomende verderf. Ik heb me constant verzet, ik heb gewaarschuwd, ik heb het volk op schrift toegesproken. Maar het heeft allemaal niet mogen baten: de vijand is aan de macht.

Mijn verzet zal worden onderdrukt. Ze zullen me komen halen. Ze zullen me de mond snoeren. Over een paar dagen willen ze dat ik zal sterven, zodat ik niets meer zeggen zal. Ik kan er alleen maar op hopen dat het volk mijn woorden nog heeft. Verstop ze op plekken waar zij niet komen kunnen, verberg ze in geheime laden of blijf ze ondergronds verspreiden. Zorg ervoor dat zij niet sterven.

Ze zullen me komen halen en ik ben zo bang. De waarheid is dat ik nooit moedig heb hoeven zijn: de doodstraf heeft me nooit boven het hoofd gehangen. Het ultimatum ‘zwijgen of sterven’ is me nooit gesteld. Tot nu. Tot op dit moment. Binnen nu en een paar dagen zullen ze me vinden. Ze zullen me komen halen. Ik ben nooit moedig geweest.

Beste woorden, ik verontschuldig me. Het spijt me, maar jullie zijn veel sterker dan ik. Jullie kunnen blijven leven, jullie willen blijven leven in verzet. Ik kan mijn hoofd niet oprichten, niet meer sterk staan tegen hen. Ze zullen me komen halen. Zij zullen me willen doden, maar beste woorden, jullie kennen geen pijn. Dus vergeef me, nu ik kies voor de lafste weg, ervoor kies om mijn vijanden nooit in de ogen te kijken, om hun beslissing zelf nu te nemen. Ze zullen me komen halen. Dan vinden ze me in de toestand waarin zij me hadden willen stoppen. Beste woorden, moedig ben ik nooit geweest.

4 reacties

Filed under Gestild, Verhaald

De brug, de kus en een ongetwijfeld moment van liefde

Toen ze de brug naderden, wist ze al wat er daar gebeuren zou. Het was er de perfecte plek voor, met het uitzicht over een deel van de stad die nu alleen maar uit kleine lichtpuntjes leek te bestaan en slechts het geluid van stromend rivierwater leek te produceren. Er was een punt midden op de brug waar het licht van de straatlantaarns net niet bij kwam en ze wist dat ze daar stil zouden staan. Ze wist dat dit natuurlijk zou gaan; hij zou niet stompzinnig zijn en zeggen: “Laten we hier even blijven staan en over het water naar de stad kijken” en evenmin zou zij hem woordeloos aan zijn arm trekken en duidelijk maken dat ze hier zouden moeten stoppen. Het zou als vanzelfsprekend gaan, alsof de donkerte van de brug op magische wijze hun passen vertraagde.

Ze wist dit niet alleen omdat dit duidelijk zo’n uitgekauwde romantische plek was waar alle geliefden bleven staan, maar ook omdat ze dit alles al eens eerder had beleefd. Dus terwijl ze voortschreden en bijna opgeslokt werden door dat zwarte centrum, hield zij haar adem in en probeerde niet te laten merken dat deze wandelgang haar enigszins overdonderde.

Ze had er niet op aangestuurd hierheen te komen; hun route was toevallig zo gelopen. Nu moest ze hier doorheen, moest ze doen alsof deze plek haar niets deed, alsof ze niet avondenlang wakker in bed lag omdat ze aan haar vorige mislukte relatie dacht en zich scènes voor de geest haalde waarin ze gelukkig waren – vooral de scène hier op de brug leek haar niet met rust te kunnen laten. Dit was ooit zo’n mooi moment geweest, een ongetwijfeld moment van liefde. Zou de herinnering, haar geschiedenis, dit moment nu niet verpesten? Zou ze niet ineenstorten onder het geweld van wat hier ooit eens had plaatsgehad? Was ze hier klaar voor en zou ze deze minuten overleven?

Door deze innerlijke strijd werd ze stiller, maar ze knikte en lachte nog wel toen hij iets zei. Ze vertraagde zelfs zoals het hoorde haar pas en toen ze stilstonden op precies die plek draaide ze zich zelfs naar hem toe. Ze keek hem in zijn ogen, zoals ze haar ex in zijn ogen had gekeken. Open, afwachtend, glimlachend zoals het hoorde. Hij kneep in haar hand en veegde met de andere een plukje haar weg uit haar gezicht (had haar ex dat ook gedaan? Ze wist het niet meer. Of hadden ze toen nog iets gezegd voordat hij haar kuste?). Zijn gezicht kwam dichterbij.

Tijdens de kus was ze telkens bezig het te evalueren: zijn lippen waren zachter dan die van haar ex, maar zijn tong ietsje ruwer. Hij was aftastender en voorzichtiger, was niet compleet bezeten door passie en verlangen. Zijn hand streelde haar achterhoofd, bevond zich op een plek die haar ex toen niet had vastgehouden.

Na een paar minuten was het voorbij en de roes was verder hetzelfde. Ze glimlachte eenzelfde glimlach, ze wierp hem eenzelfde blik toe, staarde liefdevol in zijn ogen. En ook hij was weinig origineel door zijn omhelzing en dat laatste zachte kusje op haar mond.

Was er wel iets veranderd? Ze zag alles nog hetzelfde. Waren de geliefden anders? Ze hadden haar allebei gekust. Waren de omstandigheden dan gewijzigd? Nee, zelfs de stad was onveranderd.

16 reacties

Filed under Geliefd, Verhaald

Een onoverkomelijke taak

Hij zag zichzelf als schim van wat hij ooit geweest was. In de afgelopen maanden had hij zichzelf voelen aftakelen en wist haast wel zeker dat het zichtbaar was voor iedereen. Hierin lag zijn paradox besloten: zijn verval verkleinde de kansen op een volgende relatie, maar zijn herstel moest zijn dat hij in een nieuwe liefde op zou gaan.
Zonder dat er iemand iets wezenlijks aan hem veranderde, voelde hij telkens toch hoe hij gestalte kreeg als hij samen was. Nu was hij slechts een schim in een onverlichte ruimte.

Eigenlijk wist hij niet of het hem om haar te doen was geweest. Het kon ook net zo goed het geval zijn dat het hem om de relatie ging, om het feit dat hij samen was. Gewild zijn was het allerhoogste, geaccepteerd worden de bevestiging. En verlaten zijn was het vallen in een afgrond die je nooit had opgemerkt. Je dacht dus dat het niet zou bestaan. Je dacht echter niet dat het niet had bestaan.
Hij wist ook wel dat het in hem zat, dat het niet de meisjes waren die iets in hem veranderden, maar dat hij het zelf was die veranderde. De eenzaamheid was echter te intens. Vervulling had hij nodig; dat was de enige manier om te geloven dat hij van belang was. Hij kon zichzelf niet vervolmaken zonder dat de ander dat deed. Ervoor kiezen om alleen te zijn, om een eigen acceptatie in werking te zetten, leek hem onmogelijk, een onoverkomelijke taak.

‘Ik ben nu niet zo leuk,’ zei hij tegen zomaar een meisje. ’Je zou me moeten kennen als ik een relatie heb. Dan ben ik veel leuker en spontaner.’ Het feit dat hij dit tegen haar zei, tegen zomaar een meisje, betekende dat zij nooit zijn gemis op kon vullen. Ze was een toehoorder en ze wist dit. Daarom juist kon ze oprecht, zonder één enkele verborgen toespeling, hem de volgende woorden tegenwerpen: ‘Je bent nu al heel leuk!’ Ze meende dit en ze had de zin uitgesproken vanuit een onbaatzuchtige wetenschap (zij wilde niets van hem, hij wilde niets van haar). Maar juist vanwege de belangeloosheid van haar woorden zou ze nooit de bevestiging kunnen geven waar hij om vroeg, waar hij constant weer naar zoeken zou.

12 reacties

Filed under Geliefd, Verhaald

Negatief van een liefde

Natuurlijk was ze aangedaan toen Thomas bij haar was weggegaan. In de eenzaamheid van de verlatene dacht ze dat het haar had getekend. Ze was bang geweest voor de toekomst, voor hoe het in het vervolg moest gaan. Als het met hem niet was gelukt – met iemand waar ze zoveel om had gegeven – zou het dan ooit nog lukken?

Toen ontmoette ze Bastiaan. Het was een nietszeggende ontmoeting geweest – hij was dezelfde geweest als de jongen achter haar in de rij bij de kassa of de jongen die op een maandag drie stoelen voor haar in de bus zat. Met als verschil dat Bastiaan een herhaling werd; ze bleef hem zien. Langzaamaan gebeurde er iets, tussen hen ontstond er iets. Natuurlijk dacht ze terug aan Thomas, maar door de natuurlijkheid waarmee Bastiaan in haar leven was gekomen, zette ze de twee liefdes nooit tegen elkaar af.

Ze zag dus niet dat Bastiaan zich openstelde op de momenten dat Thomas zich had afgesloten. Ze merkte niet dat Bastiaan haar koosnaampjes gaf, terwijl Thomas haast zakelijk en afstandelijk was gebleven. Ze had niet door dat Bastiaan niet om de grapjes lachte waar Thomas om had moeten lachen of dat de een wel van bananen hield en de ander absoluut niet. Zelfs zoiets als de toevoeging in Thomas’ beruchte zin: ‘Ik heb het druk en daarom kan ik je niet zien’ die Bastiaan aanvulde met: ‘…maar ik zou willen dat ik je vaker bij je kon zijn’, had ze niet opgemerkt.

Dat de verschillen in alles zaten werd haar pas duidelijk toen ze zich al helemaal ondergedompeld had in deze nieuwe liefde. En dat voelde goed, het voelde zo goed. Ze had namelijk niet voor Bastiaan gekozen omdat hij Anders dan de Ander was. Het was absoluut niet zo dat ze hem leuk vond omdat ze zich telkens besefte: ‘Thomas zou dit nooit zo doen.’ Er waren geen redenen en de tegenstellingen waren slechts toeval. Ze was oprecht, ze kon echt zeggen dat ze naar deze liefde verlangde, dat dit was wat ze werkelijk wilde. Het feit dat ze zich tot Bastiaan aangetrokken voelde, was dus meer dan legitiem.

Maar het feit dat ze bij hem wilde zijn, was niet eens een feit. Ze kon dromen wat ze wilde over deze nieuwe liefde, over al het mooie (nieuwe! onbekende!) dat hij haar bracht, maar ook dit was een illusie. In haar onderbewuste had ze bepaald dat ze – om over Thomas heen te komen – iemand zoeken moest die haar over hem heen zou helpen; ze had op subtiele, onbewuste wijze de keuze van verliefdheid gemaakt. Deze liefde was uiteindelijk een negatief van de vorige, hoe graag ze ook dacht (wilde) dat het ongeveinsd en trouwhartig was. Uiteindelijk was het niet de liefde die zij romantiseerde, maar haarzelf, zodat ze nu kon denken dat zij oh zo puur, zo geweldig eerlijk en zo onbegrensd gevoelsmatig verliefd was.

14 reacties

Filed under Geliefd, Verhaald