Tijdens haar vorige relaties was Marise zo open mogelijk geweest: na elke onzekerheid, elk moment van twijfel, zei ze wat ze dacht en voelde. Ze had het idee dat de relatie er beter op zou worden. Maar telkens kwam het erop neer dat zij veel praatte, vertelde dat ze niet wist of ze oprecht van de ander hield. Het kon ook allemaal maar een constructie zijn, want hoe wist hij zeker dat hij bij haar wilde zijn als zij niet wist of ze exclusief van hem kon houden? Telkens kreeg ze als antwoord voornamelijk stilte en vervolgens afwijzing: niemand wilde bij iemand blijven die nooit zeker wist of ze dat wel wilde.
Toen ze Jelle ontmoette en erachter kwam dat hij haar twijfels deelde, voelde Marise voornamelijk opluchting. Ze hadden zo nu en dan intens serieuze gesprekken over dat ze niet wisten of ze wel echt om elkaar gaven. Of dachten ze dat maar omdat ze niet alleen wilden zijn? En hoe wisten ze of ze elkaar echt hadden gemist na een paar dagen eenzaamheid? Was het dan niet slechts verlangen geweest naar seks en het idee van liefde?
Voor Marise voelde deze relatie als een bevrijding. Ze had het idee eindelijk oprecht te kunnen communiceren met iemand. Niet meer zwijgen als antwoord, niet meer weglopen als oplossing. Telkens weer kreeg ze bevestiging van haar eigen gedachten en werd het idee gevoed dat de twijfel terecht was. Het enige waar ze mee zat was de frequentie van hun gesprekken: maar eens in de paar weken praatten ze op deze overdreven serieuze toon met elkaar.
De rest van de tijd vulden ze vooral met uitingen van een heel ander soort. Langzaamaan was er ironie in hun relatie geslopen. Het had hun taal zo aangetast dat ze niet rechtstreeks konden zeggen wat ze bedoelden. Omdat ze zich beiden hadden gekeerd tegen de vanzelfsprekendheid waarmee anderen liefhadden, kozen ze samen voor deze makkelijke vorm van humor. Ze konden er hun eigen positie mee bevestigen. ‘Wij twijfelen constant,’ leken ze te willen zeggen, ‘dus wij kunnen banale liefdesuitingen bespotten.’
Zo was Jelles favoriete grap om ‘Oh, ik hou zoveel van je’ uit te roepen op een overdreven zwijmelende toon, met miniem, maar duidelijk hoorbaar sarcasme. Dit deed hij op de momenten die iedereen als romantisch zou bestempelen, bijvoorbeeld bij hun afscheid in de ochtenden. De belachelijkheid van de situatie (een herhaling van voor iedereen bekende scènes met twee arbitraire deelnemers) werd benadrukt, waar zij dan samen om konden lachen. Ze versterkten dit verbond door zich met zijn tweeën in het openbaar af te zetten tegen anderen. Een keer was een gezamenlijke vriendin hen samen tegengekomen en had uitgeroepen: ‘Ik wist niet dat jullie wat hadden!’ Daarop had Jelle, met zijn ogen rollend, geantwoord: ‘Oh nee, ik ben vergeten mijn Facebook-status te veranderen!’
Natuurlijk vond Marise dit in eerste instantie wel humoristisch. Maar hoe langer het voortduurde, hoe meer ze doorkreeg dat Jelle en zij vastzaten in wat zij eerder als een verademing had gezien. Alles wat ze zeiden was of ironisch of veel te serieus.
Het begon haar te beangstigen. Ze vreesde steeds meer voor verborgen betekenissen. Hoe vaker Jelle ironisch deed, hoe meer ze hem ervan verdacht eraan te twijfelen of zijn twijfel wel bestond. Was elke keer dat hij een van zijn grapjes maakte niet een manier om te verbergen dat hij daadwerkelijk veel om haar gaf? Exclusief, alleen om haar, omdat zij hem begreep. Nu hij in haar zijn gelijke had gevonden, leek de twijfel weggevaagd.
Marise zag het verval, zag hoe hij stiekem bleef verlangen naar zekerheid. Zelf wilde ze niets liever dan voorbij de twijfel gaan, maar ze wist niet meer of het de juiste keuze zou zijn om te zeggen dat hun twijfel hen bijeen had gebracht en dat ze daarom samen moesten blijven. Dit benoemen werd problematisch: nu hun woorden in ironie waren gesmoord, leken er geen mogelijkheden meer te zijn om oprecht met elkaar te communiceren.
Ze was zo erg bezig met deze vragen dat ze totaal verstomde. In haar gedachten gevangen verloor ze uit het oog wat ze zou moeten doen om dat stadium tussen ironie en doorgetrokken serieusheid te bereiken. Naar oplossingen leek ze niet op zoek. Meermaals vroeg hij haar: ‘Wat is er?’, als ze stil en teruggetrokken was. Ze greep nooit de gelegenheid aan en zei wat ze niet bedoelde: ‘Niets.’