BlogtopmenuOver mijtopmenuCVtopmenuContact
Blijf staan bij wat ik schrijf
Blog
RSS
(Het tegendeel) bewijzen
2010/03/05 17:07:49

Al haar vriendinnen vond ze gek; ze waren irrationeel en onredelijk. Ze kon zien waar zij faalden en was vastbesloten zelf niet in hun valkuilen te trappen.
    Zij geloofden in iets waar ze constant bevestiging voor zochten. Ze had het nooit kunnen begrijpen: hoe blind ze werden, hoe ze plots dingen verzonnen, onbeschaamd en ongeremd. Het maakte haar zelfs een beetje bang dat zij zo ondoordacht konden denken, dat mensen zo konden zijn.
    “Hij had een ring voor me gekocht!” had er één een keer geroepen. Extatisch stak ze vervolgens haar hand uit, om het bewijs te tonen. Een ander had eens opgeschept: “Vorige week zei hij zijn voetbalavondje af om bij mij te zijn.” Weer een ander was wat subtieler, liet zich in bijzinnen ontvallen hoe haar vriend altijd attent vroeg hoe haar tentamens gingen, hoe ze troost bij hem vond toen haar oma overleed en hoe hij elke week bloemen voor haar meebracht.
    Zij zag hoe de anderen allemaal een gedachte hadden waar ze bevestiging voor zochten, zodat ze uit konden roepen: “Hij houdt van me en dit is het bewijs!”

Zo was zij niet. Zij zocht juist naar weerleggingen van de meest negatieve aanname die ze verzinnen kon. Hij houdt niet van me, was wat ze altijd dacht. Hij hoeft me niet. Ik snap niet waarom hij bij mij wil zijn, want redenen heeft hij niet.
    Vervolgens ging ze haar aanname toetsen, zoekend naar bewijzen om het tegendeel aan te kunnen tonen. Dan deed ze de meest gekke dingen, in de hoop haar eigen gedachten te ontkrachten. Zo had ze een keer expres de laatste trein gemist, te langzaam naar het station lopend. Laconiek zag ze hoe hij wegreed, haar achterlatend en haar het excuus gevend van het uitvoeren van haar test. Want ze moest nu iemand bellen, iemand die haar thuis zou kunnen brengen. Gespeeld verslagen belde ze hem toen huilend op, waarop hij bezorgd vroeg wat er aan de hand was. Vervolgens kwam hij ongekend snel aanrijden en lag ze ’s nachts in zijn armen, glunderend van euforie, omdat ze haar assumptie hiermee weerlegd had. Het bleek onhoudbaar, niet waar. Hij moest wel van haar houden.

    Maar haar geluk duurde nooit lang, want ze kon alles relativeren, alles als nietsbetekenend voor doen laten komen. Dan dacht ze: “Ik weet dat hij niet ongevoelig is, maar medelevend en sympathiek. Hij zou nooit iemand in de kou laten staan. Hij heeft me niet opgehaald omdat ik het was. Hij deed het niet omdat hij van mij houdt, maar simpelweg uit naastenliefde”.
    Dus verzon ze weer iets nieuws. Dan maakte ze een belangrijke brief zoek, wachtte totdat hij al drie uur in slaap was, schudde hem dan wakker en vertelde over haar verlies en hoe ze daarom niet slapen kon. Samen zochten ze er toen naar, hij slaapdronken, maar wel in staat om haar te troosten. Of ze sneed in haar armen, net zolang tot het ging bloeden en de wonden en littekens niet te ontkennen waren. Dan zag hij ze, maar hij kuste ze, verzekerde haar ervan dat hij haar daarom echt niet zou verlaten. Steeds kon ze haar aanname verwerpen. Om toch maar te besluiten dat het niet genoeg was, dat de falsificatie niet afdoende en te arbitrair was. Zo beklemde ze zichzelf, bemoeilijkte ze het zich om van iemand te houden en van zich te laten houden. Haar stelling kon nou eenmaal nooit worden weerlegd.
    Totdat hij haar op een keer toefluisterde dat hij van haar hield en haar oprecht aankeek, want als hij ergens in geloofde, deed hij dat zonder enig twijfel. Plots ervoer ze hierdoor diezelfde euforie, maar nu ongepland; ze had er zelf geen moeite voor hoeven doen. Maar ook toen hield het gevoel niet lang stand, want welke waarheid dragen woorden?
    Al veranderde zijn uitspraak wel iets in haar. Ze zag in dat haar axioma wel eens de verkeerde zou kunnen zijn. Dus ze ging met zichzelf in beraad en besloot het om te draaien en vanaf nu het tegenovergestelde aan te nemen. Ze begon erin te geloven dat hij wél van haar hield.
    Maar ze had haar methoden niet veranderd: ze zocht nog steeds naar weerlegging. Ze pijnigde hem, zocht de grens op, om hem te toetsen; om te kunnen besluiten of hij van haar hield moest ze er alles aan doen haar nieuwe aanname te ontkrachten. Als alles dan gedaan was en de assumptie hield nog steeds stand omdat hij bij haar was, wist ze dat ze het bewezen had. Dan hield hij echt van haar.
    Dus ze liet hem voortaan een uur op haar wachten. Ze draaide zich weg als hij ’s nachts in bed tegen haar aanschuurde, al was haar verlangen even groot. Ze gooide wijn over zijn laptop en zei niet eens sorry. Ze zei dat ze zijn beste vriend haatte. Ze ging zo ver door dat ze de vraag of zij wel van hem hield helemaal vergat. Maar hij verliet haar nooit en zij kreeg nooit genoeg, dacht nooit: “Nu heb ik alles geprobeerd, maar hij is nog steeds bij me”. Ze bleef maar wachten op het moment dat hij zou zeggen: “Vanaf nu hou ik niet meer van je”.

Er is niets om te voelen
2010/02/28 15:41:43

‘Je rationaliseert alles’, zei ze me en ik kon het niet ontkennen. Het was niets onbekends, want zelfs de verklaring die ik kon (en na enig nadenken neigde te) geven was op dezelfde denktrant gebaseerd. Ik geloof niet echt in gevoelens of impulsen. Erachter schuilt namelijk altijd een gedachte, ook al lijkt het gevoel, de actie of gedraging zoiets spontaans, emotioneels of onbewusts te zijn. En die gedachten zijn te achterhalen, na goed nadenken, na redeneren. Twee basisgevoelens vormen de basis: we kennen alleen ‘gelukkig’ of ‘ongelukkig’. In beginsel kennen we simpelweg niets anders, voelen we alleen maar puur geluk of puur ongeluk. Strevend naar dat eerste, onderwijl het tweede vermijdend, zijn we blij, geraakt of enthousiast, en zijn we bang, boos of voelen schaamte omdat dat ons respectievelijk kan leiden tot, of verwijderen van ons ultieme doel.
    Dus alles – als ik zeg dat ik bang ben voor onverschilligheid, streef naar goedkeuring of alleen maar bijzonder wil zijn – is terug te voeren op een paar gedachten, die paar verlangens naar het ene uiterste van mijn gevoel en angsten voor dat andere uiterste. Er is niets meer dan de bescherming van een gevoel tegen de bedreiging van dat andere.
    Het schijnt echter niet goed te zijn als je alles rationaliseert. Je moet soms ook je gevoel volgen, zeggen ze. Gedachten loslaten, puur afgaan op wat je voelt, welke emotie dat dan ook is. Spontaan zeggen wat er in je omgaat, zonder rede. Dat schijnt je dan goed te doen. Dat wil ik best geloven. Denk ik. Want ik ontken niet dat mijn visie de verkeerde is. 
    Maar toen ze me vroeg: ‘Los van alle rationaliteiten, wat voel je dan precies?’, kon ik niet anders dan antwoorden: ‘Daar moet ik even over nadenken.’

Blindheid
2010/02/25 22:08:48

Ik dacht dat ik degene zijn zou die niet zou kunnen dansen. Want ik kende mezelf: ik wist dat ik zou kunnen strompelen, vallen, me zou kunnen verliezen in de stappen. Al kende ik ze allemaal, dus dat zou nooit het probleem zijn. Ik had ze zo op kunnen noemen, uittekenen of beschrijven. Het probleem was dat ik het nooit gedaan had. Ik had het nooit gedurfd.

Dus ik zei het je: ‘Maar ik kan niet dansen, hoor!’ en je stelde me gerust. Je deed het voorkomen alsof het niet erg was en ik besloot niet te haasten.

Sindsdien heb ik het geprobeerd. Natuurlijk alleen, zonder jou. (Want dit is mijn strijd, mijn eenzaamheid. Ik heb nooit een publiek gewild. Eveneens een begeleider.) En langzaamaan mengde ik me tussen de anderen, zag hoe ze bewogen en sloot er mijn ogen voor, want soms wil ik niet leren. Ik volg mijn eigen passen.

En toen het moment kwam dat jij je voeten verzette, vergat ik op je te letten. Ik dacht dat je het wel kon. Maar onzeker verplaatste jij je, je aarzelde – kende je de stappen wel? Ik bestudeerde je choreografie en concludeerde. Mijn mankement bleek dat van jou.

Verbaasd draaiend bedacht ik me dat de gedachte dat ik degene zijn zou die het niet zou kunnen de onjuiste bleek te zijn. De gedachte waar ik elke pas op bouwde, elke beweging op baseerde – want ik dacht dat ik achter liep –,  bleek een zelfbedachte, zelfgeloofde leugen. Dus ik stelde je gerust en zei je dat jij tevens je ogen zal moeten sluiten en ik beloof je dat je dan zal kunnen dansen.

Niets meer
2010/02/20 12:45:21

Het is uit mijn handen geglipt. Omdat ik wist dat ik ervoor moest waken dat het niet gebeuren zou, maar toch niets deed. Onopgemerkt viel het weg. En ik weet niet eens waar of wanneer het gebeurde – ik zit hier met niets dan leegte.

Het is simpelweg niets meer dan een reden mezelf te haten. Want ik had het anders moeten doen. Ik wou dat ik mezelf kon troosten. Oneerlijk vind ik het, omdat ik nooit heb gewild dat ik dit zou verdienen, maar toch vind ik dat ik het wel verdien.

Het zal van iemand anders zijn, iemand die er blij mee is. Blij is met zijn diefstal. Met mijn domheid en verdriet, waar ik maar niet aan wennen kan.

Ik ga er niet eens meer naar zoeken. Ik wil alleen maar troost.

Druk
2010/02/18 09:09:58

"Ik heb het ook zó druk. Ik moet de hele tijd allemaal dingen doen. Binnen een half jaar moet ik tien tentamens maken en ik heb natuurlijk ook mijn bestuur en het sporten en afspreken met vrienden... Maar eigenlijk moet ik keihard gaan studeren nu. Dus ik ga een tijdje een kluizenaarsleven leiden haha. Nou ja, dat zeg ik dan wel hoor, maar stiekem staat mijn studie op de tweede plek, want ik haal meer voldoening uit socializen en aanzien hebben en zo. Hoe dan ook: ik heb het héél erg druk.
    Ja, jij mag dan zeggen dat jij het ook druk hebt, maar ík wil graag degene zijn die beschouwd wordt als degene die het het drukst heeft. Dus ik luister gewoon niet naar jou, hoor.
    Heb je al medelijden met me? Heb alsjeblieft medelijden met me. Ik zeg niet voor niets dat ik het zo druk heb op zo’n zielige toon. Want zie je, het is een van de redenen waarom ik zoveel zeur over druk zijn: als jij me zielig vindt, maar ziet dat ik het wel volhoud, dan is dat natuurlijk heel goed van mij. Dan benijd jij mij. Toch? Zeg dat je dat doet.
    En natuurlijk is het ook zo dat door te herhalen hoe druk ik het heb, hoe belangrijker ik lijk. Jij moet geloven dat ik zoveel te doen heb omdat ik nodig ben, omdat ik veel vrienden heb en echt iets voor ze beteken. Ik weet niet of dat zo is – ik hoop het maar. Belangrijk zijn is namelijk belangrijk. Dus door te doen alsof ik het druk heb, ga jij hopelijk denken dat ik belangrijk ben en kan ik er ook zelf in gaan geloven dat ik belangrijk ben. Dus beaam mijn drukte, beaam mijn belang.
    Misschien moet ik meer bewijzen geven. Ik slaap heel weinig! Echt! Elke avond ga ik later dan twaalf uur naar bed en ik moet om negen uur weer op de uni zijn. Dat is heel rot, hoor. Gelukkig kan ik wel in slaap komen. Eén hoofdhaar hoeft het kussen maar te raken, of ik lig al te snurken.
    Ik ben ook een van die mensen die expres heel laat terugsms’t of mailt. Het zou echt heel stom zijn om gelijk te antwoorden. Alhoewel, soms antwoord ik wel heel snel terug, maar zorg ervoor dat ik ergens in de mail zet: ‘Nu ga ik weer verder, want ik was net zo lekker bezig met studeren!’. Ik voel me vooral genoodzaakt dat te doen als anderen dat al in een eerder mailtje hebben gezet. Dan ga ik minder belangrijk lijken en dat moet ik natuurlijk voorkomen.
    Nou, nu ga ik zo maar eens verder met Facebooken en spelletjes spelen op mijn iPhone. En het druk hebben natuurlijk."

Wat we nooit hadden durven dromen
2010/02/10 17:27:56

De laatste kunstvorm

In de galerij staan zestien stoelen, elk voorzien van drooghelmen zoals je die bij kappers aantreft. De muren zijn in pastelkleuren geschilderd en voorzien van borden met informatie over de dromers en de dromen. De bezoekers kiezen een stoel uit, plaatsen de helm op hun hoofd en even later staan ze weer op, verzadigd van een nooit eerder bedenkbare ervaring. Twee vrouwen lopen naar de koffiebar, terwijl de een lachend zegt: “Ik had ook het gevoel totaal naakt te zijn!’ en de ander dat grinnikend beaamt. Een jong meisje staat met grote, angstige ogen op uit een stoel aan de andere kant van de zaal.


In kunstgalerij ‘De ontvreemding’ vertelt de eigenares Marijn Franssen enthousiast hoe ze op het idee van een droomtentoonstelling kwam. “Mijn vader werkt als onderzoeker op het gebied van de neuropsychologie en was een van de eersten die werkte met de oneiroscoop. Via hem kwam ik er steeds meer over te weten en op een gegeven moment besloot ik er een kunstvorm van te maken! Want het kunnen ‘lezen’ van iemands dromen heeft volgens mij niet alleen wetenschappelijk nut; zoals elke andere kunstvorm kan het anderen raken, ze bewegen of inspireren.”
    De oneiroscoop is een apparaat dat de hersenactiviteit die optreedt tijdens dromen kan registreren en opslaan. Door middel van ‘pads’ die op verschillende plekken op het hoofd zijn geplaatst, worden de signalen doorgestuurd naar het apparaat dat ze vervolgens om kan zetten in herbruikbare beelden. Die opgenomen beelden kunnen dus opnieuw afgespeeld worden met behulp van diezelfde ‘pads’, die bij iedereen (en dus niet alleen degene van wie de droom gelezen is) aangesloten kunnen worden. De droom verschijnt dan niet op een beeldscherm, maar in gedachten, alsof het beelden zijn die de kijker zelf heeft gedroomd. Zo kan andermans droom dus aan ieder ander getoond worden als ware het zijn of haar eigen droom.
    In de wetenschap gebruikt men de oneiroscoop om meer te weten te komen over dromen en de daaraan verwante processen. Vragen als ‘Droomt iedereen hetzelfde?’, ‘Waarom worden dromen niet onthouden?’ en ‘In hoeverre zijn dromen te sturen?’ kunnen hopelijk met deze techniek beantwoord worden.
    Marijn heeft deze boeiende uitvinding echter gebruikt voor haar tentoonstelling ‘Neem me mee’, waar ze de dromen van acht vrijwilligers gedurende één nacht heeft opgenomen en die ze aan de bezoeker toont. Achter de stoelen hangen borden, voorzien van informatie over wiens droom je gaat zien en wat voor droom het zijn zal.


‘Sarah is een 24-jarige student Frans’, staat er op een van de borden. ‘Ze heeft een vriend, woont in een studentenhuis met vier andere meisjes en in haar vrije tijd wandelt ze graag en veel. Haar droom heeft ze al vanaf haar zesde; eens in de zoveel tijd komt hij terug en zorgt telkens voor een ietwat beangstigend gevoel. Zelf zegt ze erover: “Het is niet een fijne droom, maar ook weer niet een verschrikkelijke nachtmerrie...”’ Boven de tekst staat de titel van de droom: Verlatingsangst.
    Bij het opzetten van de helm worden je ogen totaal bedekt door duisternis. Eerst klinken de instructies: “Op de rechterarmleuning bevindt zich een knop. Als u wilt dat de droom begint, kunt u daarop drukken. Mocht u tussentijds uit de droom willen stappen, drukt u dan nogmaals op de knop. De droom zal dan gestopt worden. Wij wensen u een prettige beleving.”
    Het indrukken van de knop verandert eerst niets aan de duisternis. Dan zie je plots voor je een pop, je handen die het aan lijken te raken, je knieën op het blauwe tapijt. Je zingt, al hoor je niets, maar je weet dat je zingt. Het wordt weer zwart. Je staat. Pop in hand, blauw onder voeten. Je loopt door zwartheid, maar ergens is er nog blauw. Licht van achter. Deur. Klink. Open. Door je eigen hand. Wit, hal, wazige schoenen, trap. Onder je, een figuur die je niet herkent. Je roept: ‘Pap!’, ziet zijn gezicht: snor, mond die lacht, ogen die even twinkelen. Dan zie je jezelf van voren, zoals je op de trap moet staan. Roze jurk, blote voeten, handen uitgestrekt en leeg. Je verzet je rechtervoet. Dan zie je weer vanuit jezelf. Je ziet je voet die hangt, misstapt. Je valt en al voel je niets, je valt. Lang, treden, muren, leuning, je valt. Je schreeuwt, al hoor je niets, je valt. Donker. Duisternis, geen geluid.
    De stem in je oor: “De droom is nu afgelopen. U kunt de droomhelm van uw hoofd halen.” Wankel, zoals de andere bezoekers, sta je op. Je hebt het gevoel geslapen te hebben, maar onrustig, ongewild naar.
    En toch wil je meer. Dus gelukkig is daar de bizarre droom van Edwin (ruzie met vrouw, marshmellows, zwembad in de kelder), de mooie droom van Alina (jongen die haar hand vastpakt, meeneemt naar de sauna waar ze de roze gordijnen bespreken) en de droom-die-iedereen-wel-kent van Madelon (naakt tussen je klasgenoten staan).

Marijn hoopt dat nog meer mensen hun dromen gaan delen: “Het is zoiets moois, zoiets puurs om zoiets intiems te delen met anderen. Dat maakt het zo bijzonder. Zoiets is nog nooit eerder vertoond, nog nooit eerder gedaan, dus dit is zo nieuw, zo uniek!”
    De bezoekers noemt ze belevers, want ze zijn geen lezers, geen luisteraars, geen kijkers – zelfs geen dromers. Ze zien iemands dromen in gedachten, alsof hun eigen hersenen hun die beelden doorsturen. Je lijkt echt even iemand anders, al zit je nog in hetzelfde lichaam en heb je nog dezelfde geest. Maar een stukje van iemand anders zit dan even in jou.
    Anton Boonsma, beroepsfilosoof, heeft zijn twijfels over deze laatste technologische en artistieke ontwikkelingen: “Ik vind het niet ethisch iemand anders dromen zo te tentoonstellen, al hebben zij er zelf voor gekozen. Want waar stopt onze privacy als onze dromen zelfs publiekelijk gemaakt kunnen worden? Wat is er nog van ons en van ons alleen? Hoe ver kunnen we nog gaan?
    En dan heb ik het nog niet eens gehad over de schade die het vertonen van dromen kan veroorzaken, zowel voor de dromers zelf als voor de bezoekers. Beide groepen kunnen getraumatiseerd raken door het blootstellen van respectievelijk iets onbewust en privaats, en het te zien krijgen van zoiets oncontroleerbaars.”
    Marijn lacht het weg: “Dit is zó een unieke ervaring! Dit is een beleving zoals je nog nooit meegemaakt hebt! Dat maakt het het bezoeken van de tentoonstelling meer dan waard!”

Blootvoets
2010/02/06 21:29:04

We bereiken elkaar nooit.

We leggen beiden afstanden af, we verplaatsen ons allebei. Onze voeten blijven lopen, onze horizonnen zich verbreden. We komen langs velden, bossen, steken rivieren over, bekijken wolken en zonnestralen. De grond rolt onder onze voeten, de tijd verzet zich en de rest staat stil.

Maar ik adem nooit dezelfde lucht als jij. Ik een vis, jij een vogel. Ik een dove, jij het geluid. Jouw lijf: gemaakt uit hemels zand, dat van mij uit zonde. Als jij de aarde bent, volg ik de cirkel van de maan.

Ik, achter jou aan, blootvoets, oud en moe. Jij, kijkt nooit om, fiere stappen, diep en groot.

En het is niet dat ik niet harder kan of dat jij zachter moet gaan of dat we gebaande wegen in moeten slaan of dat jij wachten zou; het is ons lot dat ik achter jou aan blootvoets leeg en doods. Terwijl jij nooit kijkt hoe je stappen zich verzetten, profileerden in de grond.

Vertel me je bestemming – ik geraak er toch nooit.

Lach - voor mij
2010/02/01 20:37:46

Hij had maar twee gezichten. Meestal de neutrale. Zijn wenkbrauwen werpen kleurontnemende schaduwen op zijn ogen: onleesbaar, flets, ontbrekend, doods. Zijn huid steekt bleek af tegen zijn donkere haren, zijn haren zonder dartelheid, hem een ietwat serieus, arrogant en onnadenkend aanzien gevend. Meestal valt er een asymmetrie waar te nemen; de verhoudingen tussen zijn kaakbot en jukbeen links en rechts zijn ongelijk, scheef, veranderlijk. Een beetje misvormd, onboeiend, onknap, onbijzonder – zo is hij.

Maar dan lacht hij en dit is wat je de hemel openbreken noemt, al heb ik dat nooit begrepen, want de lucht is datgene wat openbreekt en de hemel datgene wat zichtbaar wordt, dat paradijselijke waarvan je niet wist dat het bestond. Zijn mond verbreedt zich, trekt aan zijn wangen, neemt ze mee en laat de huidplooien toenemen, hem sympathiek en liefdevol makend. Zijn ogen vernauwen zich schertsend maar vrolijk, speels en afwijkend. Plots wordt hun de mogelijkheid gegeven het licht te vangen. Ze schitteren, ze stralen, fonkelen en kleuren fel en blauw, want dat zijn ze – blauw.

En ik kan nergens anders naar kijken. Gebiologeerd door spierbewegingen van zijn gezicht, van die metamorfose van saai naar Mooi, Bijzonder en Schitterend en ik wil niet dat hij ophoudt. Dat ik stop met staren. Zoveel mogelijk aardbevingen zien, veranderingen, beweeg me. Ik wil blijven praten, alles zeggen wat hem kan doen laten lachen, want er is niets anders wat ik zien wil dan hem zien lachen, dus lach ik zelf, opdat hij mee zal lachen en me steeds zienderogend zal blijven verbazen, lachend.

En de hemel betrekt, want afscheid moet ik nemen. Dus als ik voor hem sta, zeg ik uitgelaten tot ziens en glimlach breed, wacht tot hij me spiegelt en voordat hij het andere, onbetekenende gezicht weer aan heeft kunnen nemen, draai ik me om en snel weg, snel, het beeld herdenkend, zodat dat is hoe ik me hem herinner – lachend.

Lach voor me, zeg ik dan, in gedachten, waar hij verschijnt, mijn hemel bedekkend.

68 Totaal items 1  2  3  4  5  ...  9 


Blogbottom menuOver mijbottom menuCVbottom menuContact